138 - Jan van Os, van Amsterdam naar Curaçao (2)
Op 31 maart 1851 voltooide J.G. van Os het eerste gedeelte van zijn reisverslag. Hier kun je het lezen. De lange brief die hij vanuit St. Thomas aan zijn ouders schreef, belandde in het familiearchief. In 1935 werd zijn verhaal gepubliceerd in het Koloniaal Missie Tijdschrift.
Vanuit St. Thomas, in die tijd een Deense kolonie, legde hij vast: “Ik zit nu 1.500 uur verwijderd onder een brandende zon, midden onder de zwartjes. Een pastoor heeft me gastvrijheid aangeboden. Met hem moet ik altijd een vreemde taal spreken [Frans], vermits hij geen Hollands kan.
Ik moet nog drie dagen reizen naar Curaçao, een eiland midden in de zee. Ik zit te neder van een geheel ander soort mensen, met een andere huidskleur. Ik zou u graag mondeling alles willen vertellen. Maar voor de goede God offert men gaarne wat op, vooral als men de beloning [een eeuwig verblijf in de hemel] bedenkt die Hij aan degenen toezegt die voor Hem vader en moeder verlaten hebben.
Ik ben zo fris als een hoentje, als een vis in het water. Maar ik heb het hier verbazend warm. Ik doe niet anders dan blazen”.
Met ‘fris’ bedoelde hij: ‘gezond in de beste welstand’.
Jan keek terug op een ‘uitmuntende reis’. “De kapitein, die dertig jaar gevaren heeft, zoals hij mij dikwijls verzekerd heeft, heeft nog nooit zo’n schone reis gehad. De ene dag was evenals de andere – bijna altijd voor de wind”. Er was dan ook geen sprake van ‘stormen en schrikbarende zeeën’. Het was altijd ‘lucht en water en anders niets’.
St. Thomas in 1872
Van St. Thomas naar Curaçao
Eenmaal aangekomen op Curaçao vervolgde de pater zijn reisverslag. Het was inmiddels 19 april 1851 geworden. Jan van Os verbleef, schreef hij, in de ambtswoning van de apostolisch vicaris oftewel missiebisschop van Cytrum, Martinus Nieuwindt.
“Ik bevind mij in het paleis van de bisschop”, legde hij uit. “Een paleis, zeg ik, het is waar, maar een pauvre verblijf. Ik zit op een kamer. Het is een nederig woninkje, dat geen gelijke heeft naar Den Haag of naar de Franse kerk. Toch moet ik u uit de grond van mijn hart zeggen dat ik gelukkig ben te midden van de armoede”.
Van Os maakte duidelijk waar het allemaal om draaide: “Indien ik voor mijn opofferingen dat hebben mag, dat ik een plaatsje in de hemel vind”.
De oversteek
Het verblijf op St. Thomas had een week geduurd. “De 27ste maart kwamen wij er aan en op 3 april ’s morgens om half negen verlieten wij de haven. ’s Avonds 2 april waren wij onder geleide van een regiment zwarte jongens naar boord toegebracht”.
Ook nu bleek dat de missionaris geen zeebenen had. “Ik dacht dat ik nu wel zeevast zou zijn. Maar jawel, geen uur was ik op het water of daar werden wij allen [dus ook de Zusters van Liefdadigheid] weer zeeziek. Ik zo erg als ik nog niet geweest was. Ik ben nog geen half uurtje gezond aan boord geweest”.
Aan het weer lag het niet. “Wij zeilden uit met een goede wind. Onze Lieve Heer is toch altijd met ons. We vlogen compleet door het water heen. We zeilden, we zeilden. Op zaterdagmiddag 5 april kregen we Curaçao, de plaats van onze bestemming, in het gezicht. Wij waren blij en sprongen op van vreugde. We moedigden elkander aan om goed onder de armen in de wijngaard van de Heer [het missiegebied] te arbeiden”.
Opnieuw legde Jan aan zijn ouders uit dat er in die omgeving geen sprake was van schemering: “U moet weten dat de zon hier precies om zes uur opkomt en precies om zes uur ondergaat, zodat het om half zeven reeds donker is”.
Vanwege de vroeg invallende duisternis besloot de kapitein het schip nog een nacht op zee te houden. “Hij is een voorzichtig zeeman. Vanwege de vallende avond durfde hij de haven niet meer binnen te zeilen. Een jaar geleden had een andere kapitein daardoor zijn schip verloren. Hij besloot dus tot zondagmorgen te wachten om Curaçao binnen te zeilen”.
Wat konden ze anders doen dan wat op en neer varen?
“In de nacht kruisten wij heen en weer voor de Tafelberg, een berg van Curaçao. Het was een lange nacht. Maar eindelijk brak de blijde morgen aan”.
Aan land
Niemand hoefde geroepen te worden, schreef Jan. “Bij de eerste schemering konden wij de stad Curaçao goed zien. “Het is niet een stad als Amsterdam of Den Haag, maar zij is toch enigszins proper. De huizen zagen er Hollands uit, hetgeen in St. Thomas in het geheel niet het geval was. Naderbij gekomen konden wij de Hollandse vlag van het fort zien wapperen”.
Vanuit het eiland werden ze geholpen. “Spoedig kwam de loods aan boord. Onder diens geleide zeilden wij ’s morgens om half zeven onder grote vreugde de haven van Curaçao binnen – behouden – God zij dank”.
De aankomst van een schip uit Nederland bleef niet onopgemerkt. “Spoedig was de ganse wal opgevuld met nieuwsgierigen”.
Curaçao
In die tijd was het nieuws volledig afhankelijk van geschreven en gesproken bronnen. Er was nog geen radio om van hedendaagse bronnen maar niet te reppen.
Toch lijkt het erop dat Van Os en de zusters verwacht werden. “Wij keken uit of wij iemand van ons battiljon zagen aankomen”.
Dat was inderdaad het geval. Een heer met een toog, steek en bef kwam aanvaren op een pont-schuitje. Het was de secretaris van Monseigneur bisschop Niewindt. Die was toen juist in de stad gekomen om de volgende week de goede week [die voorafgaand aan Pasen] te vieren”.
Ontvangst op Curaçao
De nieuwelingen werden dus goed onthaald. “Zijn Eerwaarde [de secretaris] kwam ons hartelijk verwelkomen. Hij geleidde ons naar het zogenaamde paleis van de bisschop. Daar werden wij op de minzaamste wijze door Zijn Hoogwaarde [Niewindt] ontvangen”.
Van Os wilde zijn verblijf op een gepaste wijze aanvangen, schreef hij aan zijn familie in Nederland. “Na een ogenblik bij de bisschop geweest te zijn, vroeg ik naar de kerk. Aldaar verrichtte ik de H. Mis om God dank te zeggen voor onze zo buitengewoon voorspoedige en gelukkige reis”.
Dat gebeurde meestal met een ‘Te Deum’.
Monument voor mgr Niewindt (Curaçao)
Beschrijving van het eiland
Na twee weken kon de nieuwe missionaris in een brief, die veel later zijn thuisbasis bereikte, een en ander vertellen over zijn onmiddellijke omgeving. Het was de zaterdag voor Pasen. “Nu, op 19 april [1851], zit ik bijna veertien dagen op het eiland Curaçao.
Ik kan u dan een weinigje melden van het eiland en van mijn bestemming. Het eiland Curaçao heeft 10 uren gaans [60 kilometer]. Evenals al de andere omliggende eilanden is het een rots. Maar er is meer vlakte dan op St. Thomas.
Het is er zeer onvruchtbaar vanwege de aanhoudende droogte. Regent het een dag, dan is in acht dagen tijd alles in bloei”.
Over de op het eiland wonende mensen legde Jan vast: “De bevolking is bijna uitsluitend katholiek”. Dat waren waarschijnlijk vooral (al dan niet voormalige?) slaven die zich hadden laten dopen. “Men vindt er ook enige protestantse ambtenaren en enige joden. Er zijn op dit eiland vijf pastorijen”.
Talen
Met het spreken van algemeen beschaafd Nederlands kwam Jan niet ver. “De taal die hier gesproken wordt, is geen Hollands maar papiaments – een soort geradbraakt Spaans. Het Hollands wordt zeer weinig gesproken, zodat alle preken in die taal zijn, behalve een op zondag voor de [Nederlandse] militairen. Op de zondag na Pasen [27 april 1851] zal ik zulks doen.
Op de eilanden Bonaire en Eustachius spreekt men Engels”, voegde hij eraan toe. “Dan is er nog het eiland Aruba, waar men dat papiaments spreekt”.
Pater Van Os leek het die eerste weken naar zijn zin te hebben. “Voor zover ik het u nog kan zeggen, bevalt het mij zeer goed. Monseigneur, waarmee ik eet en drink, is een beminnelijk mens. De andere geestelijken zijn uiterst minzaam. Alle dagen komen wij bij elkander, tenminste zolang wij in de stad zijn.
Mijn gezondheid is ten gevolge van de reis enigszins ongesteld geweest. Ik heb een paar purgatieven ingenomen en nu zal het alles wel schikken”.
Over zichzelf meldde hij: “De warmte is hier drukkend. Toen ik Witte Donderdag en Goede Vrijdag uit de kerk kwam, was ik door en door nat, een aardige gedachte voor een Hollander. Indien u mij heden zag, zoudt gij mij zeker niet kennen. Ik ben zeer bruin geworden door de zon, daarbij met steek en bef uitgerust”.
Plannen
Het was niet de bedoeling dat Jan van Os zou blijven waar hij zich op 19 april 1851 bevond. “Een week na Pasen ga ik met de bisschop mee naar zijn plantage, Barber genaamd. Daar staat ook een kerk. Ik zal daar provisioneel blijven om mij op het Spaans en Engels toe te leggen, ten einde de eilanden waar te kunnen nemen.
Voor het eerst zou hij paard gaan rijden. “Ik heb u nog vergeten te zeggen dat men hier op paarden rijdt omdat de wegen zp moeilijk zijn. Aanstaande week zal ik er een eerste proef van nemen als ik een pastoor in de nabijheid ga bezoeken.
Onze Lieve Heer is overal en hier ook onder die zwartjes. Hij zal mij wel bewaren in alles. Weest niet over mij bekommerd”.
herinnering aan missionaris Jansen bij Barber (foto Nelly Tinga, 2025)
Afscheid
Zijn familie hoefde zich dan ook geen zorgen te maken. “Weest verzekerd dat ik altijd aan u blijf denken en voor uw heil blijf bidden. God geve dat ik u nog levend eens moge terugzien. Vader troost u en geef u over aan de aanbiddelijke wil van God, die uw zoon geroepen heeft om het geluk der alleen ware godsdienst te schenken aan arme ongelukkige zwartjes”.
Kennelijk was Van Os senior niet erg gelovig. Jan wenste dan ook ‘dat het hemelse licht u ook eens als een andere Paulus zal bestralen om u in een Paulus te herscheppen’. Aan zijn moeder schreef hij: “Ik zeg niet wees getroost, maar wees blij met het geluk dat God mij schonk om alle banden te mogen verbreken, ten einde alleen voor Hem [God] te arbeiden en het waarachtige evangelie aan vreemde volkeren te mogen verkondigen”
Iedereen moest de groeten hebben: broer Hein, zuster Marie, tantes Mietje en Witte, Betje, juffrouw Marchand, de heer Verdeyen, de paters in de Zaayer, de pastoor in de Posthoorn en zijn beste vriend, de eerwaarde heer Winkelhkuzen”.
Met de woorden ‘Vaarwel geliefde vader, geliefde moeder! God zegene u, denk veel aan mij en bid veel voor u hartelijk liefhebbende zoon’, beëindigde hij de twee lange brieven die hij tijdens zijn lange reis en nog korte verblijf in de Nederlandse West geschreven had.
***

Jan van Os - slavenregister
In het eerste artikel heb ik aangegeven dat ik over J.G. van Os geen bronnen heb kunnen vinden, zelfs niet in Nederlandse missieboeken met een encyclopedisch karakter. In de Almanak voor de Nederlandsche West-Indische bezittingen, en de kust van Guinea, jaargang 1860, wordt hij genoemd als ‘kapelaan’. In bronnen op het internet, die te maken hebben met de slavernij, wordt J.G. van Os in de periode 1853-1861 genoend als eigenaar van een aantal slavinnen op het eiland Aruba, die naar Curaçao zijn overgebracht – met namen als Gustina, Juana, Maria Los Santos en Dorothea Felestina. In het Nationaal Archief is hier meer informatie over te vinden.
Harry Knipschild
23 juli 2025
- Raadplegingen: 460
