Skip to main content

109 - Bedelen in China (1922)

 
In onze tijd is het niet moeilijk om een en ander te weten te komen van wat zich vroeger afspeelde in de katholieke missie. Dankzij de website Delpher van de Koninklijke Bibliotheek is het bijvoorbeeld mogelijk om de originele exemplaren te lezen van het maandblad Katholieke Missiën dat vanaf 1874 in een Nederlandse uitgave in ons land verscheen.
    In het blad vond je (soms bewerkte) brieven die paters, broeders en zusters vanuit verre landen schreven over wat ze meemaakten, hoe ze tegen hun omgeving aankeken, hoe ze erin slaagden bekeringen tot stand te brengen, hoe ze hun landgenoten opriepen om met geld over de brug te komen of persoonlijk te komen helpen. De tijdschriften, vaak voorzien van foto’s, tekeningen en landkaarten, geven een unieke kijk op het optreden van het Westen elders in de wereld en hoe de daar levende mensen reageerden op hoe ze er zich manifesteerden.
 
 
109 1 missiehuis Steyl 1879

 
In maart 1922, 101 jaar geleden, publiceerde het blad, overgenomen door de missie van Steijl bij Venlo (SVD, Societas Verbi Domini, sinds 1875), op de voorpagina een foto van Pius XI, die op 6 februari 1922 tot nieuwe paus uitgeroepen was. Je kon er artikelen lezen over Japan, Ethiopië (toen: Abessinië), de Kilimanjaro, een dag in het leven van een missionaris en de katholieke kerk overal in Europa.
    Een ander artikel was gewijd aan de ontwikkelingen in het meest bevolkte land ter wereld: China. In die tijd woonden er ongeveer een half miljard mensen. Broeder Gordius, lid van de SVD, deed verslag. In China was het keizerrijk anno 1912 ten val gekomen. Volgens de broeder verkeerde het land in een erbarmelijke staat. Menigeen in het nog ‘heidense land’ ging bedelend door het leven.
    Gordius maakte een vergelijking: “Het lot der armen is in christenlanden [het westen] niet te benijden. Maar nergens is het lot der bedelaarsklasse zo betreurenswaardig als in China. De bedelaar wordt hier zelfs door de honden gehaat. Ze bespeuren in hem, instinctief, een ongewenste mededinger. De keffers vervolgen hem met hun geblaf”.
 
 
Geen beginnen aan
 
 
De broeder gaf in een voorbeeld aan hoe het toeging in zijn omgeving. “Op zekere dag stond een dreumes van zes jaar urenlang aan de poort van ons missiehuis te wachten, tot er iemand zou komen om zijn honger te stillen. ‘Mijn moeder’, zei hij, ‘heeft mij weggejaagd. Mijn vader is dood. Ik woon twintig kilometer van de stad’”.
    Blijkbaar kreeg het jongetje iets de eten, want Gordius schreef: “Enige dagen later verscheen de kleine nogmaals, nu met zijn driejarig zusje aan de hand. Hun moeder kon hen niet meer te eten geven”.
    Hij vroeg zich af wat er met het meisje zou gebeuren als hij geen helpende hand toestak. “Wie weet waar het kleine meisje dan terecht zou komen. Gelooft een rijke Chinees het in een of ander opzicht te gebruiken om er munt uit te kunnen slaan, dan neemt hij het op”.
    De paters, gesponsord met geld uit Europa, beseften dat ze arme Chinezen voor hun geloof konden winnen met het verstrekken van voedsel. Maar er waren grenzen. “De missionarissen zijn niet in staat altijd hulp te bieden. Ze zouden hele stadswijken moeten kopen om alle bedelkinderen onder dak te brengen”.
    Bij jongens zonder ouders hadden ze een extra probleem. “Die zouden voor het grootste deel toch niet blijven. Het ongebonden leven behaagt hun meer – al moeten ze dagelijks honger lijden” .
 
 
109 2 bedelaar

 
Bedelaars
 
 
Ook volwassenen hadden het moeilijk in de tijd dat Sun Yatsen (1866-1925) vanuit Kanton een nieuwe republiek probeerde op te zetten. Gordius voelde medelijden met al die arme mensen. “Zeer dicht bij ons woonhuis sleepte zich dag in dag uit een verlamde man met moeite voort, met een bedelzak op de rug. Bij elk huis vroeg hij om een aalmoes. Zijn handen waren niet in staat zijn gladde stok te omvatten. Daarom had hij hem omwikkeld met banden en lompen – wel een arm dik”.
    De twee zonen van een andere man uit de buurt, 20 en 25 jaar oud, waren lepra-leiders geworden – in die tijd melaatsen genoemd. “Regelmatig kwamen zij aan de poort van de missie. In hun korfje kon men een gift werpen. De toppen van hun vingers waren al weggeteerd. De handen waren tot stompen geworden. Hun ogen staarden wezenloos uit hun kassen. Hun opgezwollen wangen maakten hun gezicht afschuwelijk. Van de knie af naar beneden was alles één etterwonde. Zwermen van aasvliegen vlogen om hen heen”.
 
 
109 3 bedelaarswoning

 
Bedelaars bij de stadspoorten
 
 
In die jaren waren Chinese steden van dikke muren voorzien. ’s Avonds ging de poort op slot.
    Gordius: “In de zomer kunnen de bedelaars er nogal doorkomen, maar in de winter! Dan kan men vooral onder de stadspoort heel wat beleven.
    Bij het aanbreken van de duisternis vindt men hier het kleine bedelvolkje bij elkaar om de buit te verdelen. Hier en daar vormen de bedelaars namelijk een eigen gilde en hebben zij zich georganiseerd, als een vakvereniging. 
    Ieder zoekt naar een plaatsje om te slapen. Enigen liggen buiten vóór de stadspoort, anderen onder in de doorgang van de poort. Alvorens zich tot slapen uit te strekken, steken zij een vuurtje aan, plaatsen zich rondom de vlammen om zich na het uitgaan van het vuur naast elkander neer te leggen, zoals dat het beste uitkomt. Zodoende lijden zij minder van de kou”.
 
 
Voedselbanken
    
In de oostelijke provincie Shandong, waar de SVD-missie opereerde, vond je een soort voedselbanken. Aan de bedelaars werd een ‘warme maaltijd’ verstrekt. “Aan de openbare straat bevinden zich zogenaamde volksgaarkeukens. Zij bestaan uit een van leem opgetrokken muurwerk. ’s Avonds moet de eigenaar alle potten van het fornuis wegnemen”. Als ze dat niet deden zouden ze de bedelaars en rond zwervende dieven immers ‘gelegenheid tot gappen’ geven.
    De keukens deden in de winter ook dienst als een warme slaapplaats. “Nauwelijks staat de oven leeg of een aantal jongens kruipt er snel in om in de nog warme as te slapen. Van roet en vuil is dit volkje niet bang. Wie zou zich ’s winters ook wassen”, schreef de missionaris. “Het is veel te koud. Daarom laten ze het ook maar”.
    Voor Europeanen, zeker als ze nieuw waren, was het volgens de broeder ‘een genoeglijk tafereel’, liet hij in Katholieke Missiën afdrukken. “Uit alle gaten van deze openbare ovens en haarden ziet hij kleine Chinese koppen naar buiten kijken”. 
      
 
Vrouwen
 
 
Ook voor vrouwen was het moeilijk. Velen van hen, vooral de voormalige welgestelden, hadden hun voeten op jeugdige leeftijd laten binden. “Hoe zwaar valt het hun soms, op een stok steunend, met verminkte voetjes voort te strompelen om het medelijden der rijke lieden in te roepen. ‘Goede oude grootvader, erbarm u over mij; oude goede grootmoeder, hebt u geen medelijden met mij?’
    In het donker van de nacht, bij koud vriesweer trekken zij klappertandend en wenend door de straten. Ze jammeren en huilen tot hen een aalmoes toegeworpen wordt”.
 
 
109 4 voeten bindenverminkte voeten
 
 
Ook hier gaf de broeder een voorbeeld voor zijn lezers. “Een zestigjarige vrouw plaatste zich zeer dikwijls voor ons missiehuis. Ze droeg twee hakmessen, vijftien centimeter lang en tien centimeter breed. Met het lemmet sloeg ze zich aanhoudend op de blote borst. Daardoor raakte ze verwond en bloedde hevig”.
    Gordius had inmiddels begrepen waarom iemand zich dat aandeed. “Om indruk op de voorbijgangers te maken”. En hij legde uit: “In de kunst om medelijden te wekken is de Chinees een meester”
    Ook dat illustreerde de chroniqueur met een voorbeeld: “Verleden jaar kwam een man aan de poort van ons weeshuis met twee kleine jongens aan de hand. Uit een plooi van zijn jas kwam op borsthoogte het kopje van een meisje tevoorschijn”.
    De man zou een dreigende houding aangenomen hebben: “Haar moeder is gestorven. Neemt u het meisje niet op, dan sla ik het hier dood tegen de muur”.
    Gordius zwichtte voor dat argument. “Ik ging twee zusters halen. Die namen het meisje op. Toen ik de man nog een paar gulden in de hand stopte, wierp hij zich dankbaar ter aarde en ging met stralende ogen weg”.
    In het weeshuis zou het kind een katholieke opvoeding ontvangen. Het aantal bekeringen was weer met één toegenomen.
 
 
Sluwe Chinezen
 
 
De Europeanen waren niet naar China gereisd om van de mensen daar te gaan houden. Ze hadden vrijwel uitsluitend religieuze motieven. Gordius noemde de mensen met wie hij in aanraking kwam ‘sluw’. “Van kindsbeen af maken ze van elke gelegenheid gebruik om er profijt uit te trekken”.
    Ook nu weer een voorbeeld: “In de uiterste winterkou bevonden zich vóór het huis van de missionarissen enige jongens, twaalf of dertien jaar oud – zonder enig kledingstuk aan. Uit medelijden gaven wij hen een buis [hemd] en een broek”.
      Daar bleef het niet bij. “Een paar dagen later kwamen de jongens weer in Adamskostuum aan”. Toen hen gevraagd werd waar hun kleren gebleven waren kregen ze in het missiehuis te horen: “Wij hebben alles verkocht. Want als wij warme kleren aan hebben, geeft niemand ons een aalmoes”.
    Gordius: “Wie weet op hoeveel andere manieren zij de mensen al bedrogen hebben”.
 
 
Voedsel voor de bedelaar
 
 
In zo’n situatie had je als bedelaar weinig keuze als het om voedsel ging. Sowieso stonden de Chinezen er voor de westerlingen niet om bekend dat ze zich altijd als fijnproever gedroegen. “Men kan niet zeggen dat de Chinees kieskeurig is wat het eten betreft – vooral niet de bedelaar.
    Niet ver van het missiehuis ligt een aarden wal, dertig meter lang en twaalf meter hoog. De straat, aan weerszijden door muren omgeven en van boven overwelfd, voert als een tunnel door deze wal. In deze doorgang huist een oude, in lompen geklede Chinees. Hier woont, kookt en slaapt hij. 
    Wat hij op straat ontdekt, onderzoekt hij eerst met zijn stok. Als het ergens voor zou kunnen dienen, raapt hij het op – niet met zijn hand, maar met de grote teen van zijn voet. Dode katten en rottende honden, alles verdwijnt in een korfje op zijn rug. Dieren trekt hij behendig het vel af en gebruikt het als onderlaag of als deken. 
    Het vlees, zelfs als het al aan het bederven is, werpt hij in zijn kookpot”.
    De Chinees bleef niet alleen. “Tegen de avond komen de vrienden van de oude man samen om zich te verkwikken aan het lekkere maal”, aldus was te lezen in het maartnummer van Katholieke Missiën in 1922.
Gordius had nóg een voorbeeld. “Een ander beeld staat mij helder voor de geest. Buiten het station zag ik een dertigjarige man met verminkte benen aan het middagmaal zitten. En uit welke gerechten bestond dit maal? Hij at zijn eigen kleerlompen van het lijf”.
    Aan hygiëne werd volgens hem weinig aandacht besteed: “In oosterse landen werpt men alles op straat”.
 
 
Een gezin op de foto
 
 
De broeder had enkele foto’s naar Europa gestuurd ter illustratie van zijn woorden. Een gezin werd zo in beeld gebracht. “Het plaatje wekt tot medelijden. Het zijn drie generaties. De 35-jarige man gaat voorop. De voeten van de blinde vrouw [met gebonden voeten] zijn van het dragen van zware lasten en het aanhoudend lopen weer groot uitgetreden. De draagkorf dient tot woning van de ineengedoken grootvader en zijn kleinzoon.
    Verscheidene malen ben ik dit huisgezin tegengekomen. Zelfs midden in de winter hadden zij geen dak, geen vuur. Elke dag deed zich de onverzadelijke honger gevoelen”.
    Gordius maakte een vergelijking: “De zigeuners in Europa hebben het veel beter”.
 
 
109 5 bedelaarsfamilie

 
Natuurgeweld
 
 
In het artikel was niet te lezen of de Europese missionarissen ook zelf getroffen werden door de moeilijke omstandigheden. Wel wees de broeder op allerlei natuurrampen die alles in iedereen nog extra in de problemen brachten.
    “De ellende stijgt tot een onmetelijke stroom als de Gele Rivier toornig haar dijken doorbreekt, heinde en ver het land onder water zet, de hele oogst vernielt en zelfs goed-bedeelde huisgezinnen tot de bedelstaf brengt.
    Niet veel eerder, kort voor de oorlog en onder de oorlog [de omverwerping van de Qing-dynastie in 1911-1912?] was de oogst bij een aanhoudende droogte mislukt. Hele dorpen waren gedwongen een heenkomen te zoeken en naar andere gebieden te gaan, waar de graanoogst beter was. Dan laat zich het opperhoofd van het dorp door de mandarijn [vertegenwoordiger van de regering] een gezegeld schrijven ter hand stellen. Met deze aanbeveling voorzien, gaan de migranten uit bedelen. Opdat niemand het geld zou verduisteren wordt iedere gift met de naam van de gever op een bijzondere lijst aangetekend”.
 
 
109 6 Henninghaus 1922Mgr. Henninghaus
 
 
Een eeuw geleden werden er nog geen televisieavonden georganiseerd om geld te verzamelen voor het uit de wereld helpen van ellende. De inzameling voor het goede doel ging vaak met hulpverlening van de kerk en de missie – ook in China. “Mgr. Henninghaus [1862-1939], bisschop [apostolisch vicaris] in Shandong, heeft met het geld, hem uit Europa en Amerika toegezonden, veel nood en ellende verzacht. En toch, hoe velen moesten en moeten er nog sterven van honger”, met die woorden eindigde broeder Gordius van de Societas Verbi Domini zijn bijdrage.
    Zoveel is er niet veranderd, dacht ik toen ik zijn woorden las.
 
 
Harry Knipschild,
11 maart 2023
 
 
  • Hits: 1975