596 - John Lee Hooker – rijk geworden door de blues
Vóór de komst van groepen als de Beatles stelde Britse popmuziek niet zo veel voor. Natuurlijk, je had Cliff Richard, Emile Ford, Helen Shapiro, Tommy Steele, Joe Brown en zo, maar de echte muziek kwam toch uit de VS. Een nieuwe generatie Britse jongelui ontdekte de zwarte muziek uit dat land. Jonge blanke artiesten gingen die naspelen. In het begin van de jaren zestig ontstond zo een ware muziek-revolutie.
Een van de eerste Nederlanders die een beetje meedeed was Jan Cremer. In 1964 stortte hij zich op de blues. In het Vrije Volk liet hij afdrukken: “Een plaat maken vereist heel wat. Mijn eersteling ‘Boom Boom Boom Boom’ (spreek uit: ‘Boem Boem Boem Boem’), een oud blues nummer van John Lee Hooker, en ‘Good Morning Little School Girl’: een nog ouder nummer dat nu opeens in Engeland weer ontdekt is door o.a. The Yardbirds in een nieuwe rockbeatversie”.

Joop Schrier over de blues
Pianist Joop Schrier gaf er anno 1965 een wetenschappelijke draai aan in een lang Trouw-artikel: “Jazz wordt in het spraakgebruik de volksmuziek van de Noord-Amerikaanse neger genoemd. Afgezien van de vraag of moderne jazz nog wel aan het begrip volksmuziek voldoet, is het voor mij altijd aan twijfel onderhevig geweest of we bij jazz in het algemeen wel ooit van volksmuziek, in de etnologische betekenis van het woord, hebben kunnen spreken. Amusementsmuziek lijkt me in het verband van de traditionele jazz een beter woord.
Maar er is één aspect in de jazz dat door de tijden heen wel degelijk principieel als volksmuziek moet worden bestempeld: de blues. Waar het woord vandaan komt is, als zo vele negerse woorden, duister. Als de neger zich droevig en moedeloos voelt, dan is hij ‘blue’ en de blues is dan ook het (wereldlijke) lied van de neger, waarin hij zijn liefdesverdriet, zijn eenzaamheid, zijn onderdrukking, kortom zijn ellende uitdrukt, veelal verbonden met een geheel eigen soort galgenhumor”.
“Melodisch onderscheidt de blues zich van onze westerse liederen in de verglijdende tonen, de z.g. ‘blue notes’ en die onverbrekelijk met het negerse idioom verbonden zijn: we vinden ze ook in de religieuze negerliederen, de spirituals en de gospelsongs.
Talrijk zijn de namen verbonden aan de primitieve blues-zang en iedere jazzliefhebber kent wel Bessie Smith, Gertrude ‘Ma’ Rainey, Thomas A. Dorsey (‘Georgia Tom’), Arthur Phelps (beter bekend als Blind Blake) van naam. Zij waren het die in de begintijd van de grammofoon hun karakteristieke zang op de plaat vastlegden en zo de traditionele blues voor het nageslacht bewaarden”.
Voorbeelden
Schrier kwam met voorbeelden: Memphis Slim, Jimmy Reed, Big Bill Broonzy, Sleepy John Estes, Sonny Boy Williamson. De pianist eindigde zijn artikel met de opmerking dat de teenagersterren van dat moment (Beatles, Stones, Ray Charles, Chuck Berry, Johnny Hallyday en de Supremes) niets anders brachten dan een vercommercialisering van de oude blues.
Schrier had nóg een voorbeeld: De ook door Jan Cremer genoemde John Lee Hooker. Hij vond hem harmonisch een zeer primitieve zanger. Hooker had het geijkte akkoordenschema van de blues tot het uiterste vereenvoudigd. “Zo zelfs dat hij in verreweg de meeste liederen alleen nog maar het grond-akkoord gebruikt. Zijn zeer expressieve stem en dito voordracht verraden de geboren artiest”.
‘Dimples’ en ‘Boom Boom’
In Engeland was John Lee Hooker al eerder ontdekt. Met zijn song ‘Dimples’ had hij zelfs tien weken in de Britse hitlijst gestaan. De Animals vertolkten het door Jan Cremer op de plaat gezette ‘Boom Boom’ met veel bravoure toen ze als pollwinnaars mochten optreden tijdens het jaarlijkse spektakel van popkrant New Musical Express.
John Lee Hooker in Engeland (1962) en 1964
Het Europese succes van John Lee Hooker was niet zo maar uit de lucht komen vallen. De Amerikaanse blues-performer had zich enkele jaren eerder al in Engeland laten zien en horen.
Over een optreden in Manchester anno 1962 rapporteerde Max Jones: “His voice is soft and a bit mumbly. He emerged as a superlative performer who veers between menace and sudden mocking humour”.
In het voorjaar van 1964 bevond Hooker zich opnieuw aan de overkant van de Noordzee. David Griffiths bracht hem in contact met een Britse volgeling. “They could hardly have been a bigger contrast in background and appearance: the young, very tall, bright white Englishman Long John Baldry, and the mature, short, dark brown American John Lee Hooker. But they had the blues in common and when I brought Baldry and Hooker together recently they got along like old friends”.
John Lee Hooker en Long John Baldry
Hooker liet zich ontvallen: “The blues are like a fire that spreads once it has broken out. All over the world, young people are waking up to the blues. In this country [Engeland] guys like Long John Baldry are helping people to get to know the blues. You can’t like what you don’t know and I don’t think the blues had been heard much until the last few years.
And now the Beatles, who sing a lot of blues, are the biggest thing in the business. I like them very much and they’re doing us all a lot of good popularising the blues”.
Hooker profiteerde dus van het succes van de Beatles, vond hij zelf.
Feiten
Uit de mond van Hooker noteerde de journalist van Record Mirror wat feiten over zijn leven. “He told us he was born in Clarksdale, Mississippi and went as a child to live with an aunt in Memphis. He didn’t get much schooling – ‘always was a lazy boy’ – and preferred to spend his time playing a homemade guitar. Then his aunt bought him a guitar and John Lee Hooker became permanently hooked on music.
But it was some years before he made any money at it. He worked in a factory in Cincinnati and saved enough money to buy an electric guitar. Playing around the clubs he acquired a little local fame. But then came the war and he moved on to Detroit, working first in a hospital and then in a factory that made steel window frames”.

Letterlijk zei John Lee: “I used to take the guitar on the job with me and play for the guys. One day a coloured fellow from a local record shop heard me, said I was tremendous, and asked would I like to make some records.
I said nobody would want to buy them, but he said to come around to the Sensation record company, just a small label, that night. I did, and made a tape for them including ‘Boogie Chillun’. Then I did some more for them, ‘Hobo Blues’, ‘Decoration Day’ and ‘You Gotta Shake ’Em Up And Go’. Everything I did was a hit! Muddy Waters said I was taking over from everybody! And I’ve been making records ever since”.
Hooker was niet zonder ambitie. Hij wilde de wereld veroveren maakte hij duidelijk. “I want to let other parts of the world know what I’m doing”.
John Lee Hooker veel in Engeland
Hooker deed er alles aan om het succes te continueren. Hij was zelfs bereid om een van zijn songs, ‘I Love You Honey’ in het Britse jongeren TV-programma Ready Steady Go te playbacken.
Bij die gelegenheid, in het najaar van 1964, liet hij journalist Max Jones enthousiast weten: “When I last came over, things were a big surprise to me. Now it’s different again. More blues men have been over here from the States, and gone over real good, and the kids know more about. More kids are playing the blues and understanding it than even three months ago. It’s fantastic. They appreciate blues far more than American kids, and they give it more respect”.
Engeland liep volgens hem op dat moment voorop in de waardering voor blues. “Here, they give the blues artist more respect than American fans do. I find that your younger people know the different songs and dig so deep into them, where the American youngsters wants to hear rock ’n’ roll all day”.
Hooker liet zich positief uit over Britse bluesgroepen “I really dig it. That John Mayall group and John Lee’s Groundhogs are definitely my favourites”.
Die laatste groep had zich niet alleen naar de artiest vernoemd, maar ook naar zijn song ‘Ground Hog Blues’.
Hooker in de Cavern Club (1964, Liverpool)
Als het aan hem lag, vertelde John Lee aan Max Jones, stond hij zo veel mogelijk op het toneel om zijn bluesmuziek te vertolken. “My happiest time in life is when I’m on that stage. But anywhere I’m playing is home. I’m happy when I’m playing that guitar. Take that away and I feel I’m nothing.
Now, when I’m in New York I always visit my sister, Tiny Robertson, in Brooklyn and sit around and play guitar all day. She’s got a big basement all fixed up like a record studio, tape, amplifiers and everything, and every record you could name.
Martha Ledbetter, Leadbelly’s widow, lives there too, and she’s so sweet. Reverend Gary Davis, Sonny Terry and Brownie McGhee, and Lightnin’ Hopkins when he’s in New York all come around to my sister’s. And big Joe Williams and Jimmy Rushing come there too”.
Met al die artiesten was het één grote familie, verkondigde hij. “We go right there any time we feel like it, get a few drinks and sit around like one big family, playing and singing, taping songs and getting ideas. That’s where we get a lot of ideas”.
John Lee greep alle mogelijkheden aan om zijn songs op de band te zetten.
Jeugd in Mississippi
Aan zijn jeugd had hij de beste herinneringen. “Mississippi is where most of the blues singers come from. All the best ones come from the Southern States, and most of them from Mississippi. Many come from Clarksdale area, where I was born myself.
Besides the older fellows, like Big Bill [Broonzy], most of the blues men are from round there. Muddy Waters, Otis Spann, B.B. King, Jimmy Reed and R.B. Stidham are just a few”.
Een verklaring was niet moeilijk te vinden: “I know why the best blues artists come from Mississippi. Because it’s the worst state. You have the blues all right if you’re down in Mississippi”.
Of hij in die tijd veel naar muziek luisterde?
Natuurlijk. “I always was a music lover. But I can’t tell you who or what I listened to. My family was musical, and from the age of thirteen or fourteen I was playing – at first on a homemade guitar.
I was so wrapped up in music until I didn’t even go to school. I ran away from home by the time I was about fourteen. Of course, now I wish I had gone to school.
But if I had, I guess my music would be different. What I do is my own, it’s my pattern. I don’t worry about exact bars and choruses. I can do it, but if I worried about exact timings, and counting and so on, I wouldn’t be right there”.
Hooker had er spijt van dat hij niet naar school was gegaan. Hij had niet eens leren lezen.
Songs over vrouwen en liefde
Gelukkig had hij andere capaciteiten. Liedjes schrijven bijvoorbeeld. “Songs? No trouble at all. They come to me like out of a clear blue sky. Not necessarily when I’m playing. Anytime. Just before I came over here, I thought up a new one: ‘Big Legs, Tight Skirts’”.
Veel van die liedjes gingen over vrouwen en de liefde. “I learned long ago there’s a lot of women in the world, and they like to hear nice things said and sung about them”.
Niet al zijn teksten waren opgewekt. Het leven van een rondreizende blues artiest was immers niet eenvoudig. “I do sing bitter thoughts, because I’ve had my share of trouble with women. You see, it’s hard for a musician, any entertainer, to get a good wife or keep her.
You can’t take her on the road, and often your home gets destroyed. That’s when a man gets tore down, and why he sings the blues – one of the strongest reasons. That, and other women troubles, are the key to the blues.
That’s the way I feel, and the way most blues singers feel. They all sing about women, the worries and the temptation, and the young people here [in Engeland] understand the feeling and emotion although they don’t have the same trials and tribulations”.
Bron van inspiratie
Alle nadeel had ook zijn voordelen. De problemen met vrouwen waren een bron van inspiratie. “That’s what makes the blues go on and get stronger. Once people get the feeling, they can’t get it out. Once the blues is into you, it’s never out. Those words we’re singing, the youngsters dig into them. They have different troubles, but they know what we’re talking about. Believe me, in another five years, the blues will be stronger still”.
Zijn persoonlijke ervaring, wist hij, vond aftrek bij de Britse jeugd anno 1964. Anders dan in de beschaafde teksten van eerdere Britse liedjes, uitte hij zich recht door zee. Zo leverde hij zijn bijdrage aan de seksuele revolutie van de sixties.
Succes in Europa
Met singles als ‘Boom Boom’, en ‘Dimples’, die in Engeland scoorden, brak John Lee Hooker in de sixties door bij een intelligent jong blank Europees publiek. De jeugd ging naar de winkels om albums met zijn muziek te kopen. En dat op een moment dat hij in Amerika, zijn thuisland, enigszins vergeten was.
Europese platenmaatschappijen deden hun best om de rechten te krijgen van allerlei songs die hij kort en lang geleden had vastgelegd, soms op een primitieve manier. Het Britse bedrijf Ember wist beslag te leggen op een opname die Hooker in een winkel had gemaakt. In een van de songs, meen ik me goed te herinneren, hoorde je zelfs hoe de deur van de winkel open ging en een klant zich aandiende. De opname ging gewoon door. Hij werd uitgebracht zoals hij gemaakt was. Het was, zoals dat in die tijd heette, ‘authentieke blues’.
John Lee Hooker zou verkondigd hebben: “I am the blues and the blues, that’s me”.
Met zo’n benadering moest er wel kritiek komen. En die kwam er ook.

In 1975 publiceerde Leo Bruin in popkrant Oor een retrospectief artikel over de blues man, dat hij als titel meegaf: ‘John Lee Hooker onderuit, 1965-1975’.
Bruin: “Omstreeks 1965 werd John Lee Hooker door een nieuw en jong Engels muziekpubliek als een ware blues artiest onderkend, juist op het moment dat zijn bruine platenkopers in Amerika hem als oud vuil aan de kant hadden geschoven. In Engeland was dankzij de rhythm & blues vertolkingen van groepen als de Rolling Stones en de Animals een publiek ontstaan dat artiesten als Howlin’ Wolf, Sonny Boy Williamson en natuurlijk Hooker als helden binnen haalde”.
Nederland
Bruin: “Als deelnemer aan het American Folk Blues Festival 1965 bezocht Hooker voor de eerste maal Nederland, waar het nieuwe blues volk nog op zich liet wachten. Nadat er in de KRO-studio opnamen waren gemaakt, stroomden er zo’n 1500 mensen tezamen in de kille Houtrusthallen te Den Haag.
De samenstelling van het publiek was de vreemdsoortigste ooit bij een dergelijk schouwspel waargenomen; weinig Donovan-petjes en weinig beatjongens.
Waarschijnlijk behoorde een groot aantal van hen tot de bezoekers van de concerten die Big Bill Broonzy in het begin van de vijftiger jaren in Den Haag had gegeven en wilden zij diens ongerepte sfeer van pure muziek nog eenmaal proeven. Wat dat betreft waren zij bij John aan het goede adres, want hij maakte er een perfecte show van, halverwege pseudo en puur”.
In de winkels
In het artikel gaf Bruin een overzicht van het uitbrengen van blues albums. Gedetailleerd deed hij zijn verhaal voor de echte liefhebbers, de verzamelaars: “In de platenzaken kregen de Broonzy- en Leadbelly-schijven gezelschap van Hooker, die met voornamelijk oud en goed werk (United, Chess, Atlantic) werd vertegenwoordigd. Bestemd voor kopers die er nog niet waren.
Aan de andere kant van de grote plas waren een klein aantal gespecialiseerde labeltjes al enkele jaren bezig met het uitbrengen van nieuwe blues opnamen in de vorm van langspeelplaten. Van de grote platenmaatschappijen van weleer, die waren gestaakt met het uitbrengen van blues platen, waagde slechts een tweetal een nieuwe poging”. CBS en ABC.
Bruin: “Na het ineenstorten van Prestige’s Bluesville label probeerde CBS met de comeback elpee van gitarist Son House de commerciële mogelijkheden uit, maar haakte vrijwel onmiddellijk af, zodat de opnamen van East-Coast artiest Buddy Moss onuitgebracht bleven”.

“ABC Paramount pakte de zaken beter aan, misschien genoodzaakt door gemis aan een archief met oude opnamen, waaruit de andere maatschappijen konden putten voor heruitgaven.
Reeds in 1962 werd B.B. King overgenomen van het Kent label, terwijl John Lee Hooker drie jaar later zijn eersteling voor een grote firma zag verschijnen op het jazz sub label Impulse.
In 1966 werd met Bluesway een aparte blues-serie gestart, waarin tijdens de eerste levensfase tot 1970 zo’n veertig meer of minder bluesachtige elpees verschijnen. Voor de producing werd de oud Coral medewerker Bob Thiele aangetrokken, die voor een groot deel verantwoordelijk was voor de artiestenkeus.
Naast B.B. en John Lee Hooker was daar Jimmy Reed, slachtoffer van het Vee Jay faillissement; verder de rhythm & blues groten Jimmy Rushing, Joe Turner, Jimmy Witherspoon en Eddie ‘Cleanhead’ Vinson; Otis Spann, T-Bone Walker en in een wat later stadium Sonny Terry & Brownie McGhee, George Smith, Earl Hooker en Charles Brown.
Gelukkig werd er weinig aan de muziek gedokterd zodat de resultaten achteraf bezien best meevallen. Drie van Hooker’s vier [Bluesway] creaties behoren tot het beste dat hij de afgelopen tien jaar heeft voortgebracht, dankzij een goede producing en dito begeleiding.
Tijdens de korte maar hevige tweede levensfase van Bluesway in de jaren 1973 en 1974 verscheen nog een vijfde Hooker elpee met de schamele opbrengst van een live-session uit 1971.
Deze recente Bluesway-vloed bereikte Nederland helaas niet via de geordende kanalen. Zodoende moeten de heruitgaven van oude Bluesway’s, overgebleven materiaal van Jimmy Reed, Big Voice Odum en Roy Brown (grandioos), reissues van de firma’s Duke en Vee Jay, plus een nieuwe serie opnamen gemaakt door Al Smith van voornamelijk Chicago-bluesartiesten, via de sluip- en kruipwegen worden verkregen.
De muziek die Hooker op Bluesway vastlegde was dankzij de producers en begeleidende bands bestempeld met de aloude dirty sound, maar wat hij daarnaast op de diverse podiums uitvrat was wel dirty, echter zonder de aloude sound”.
De Oor-journalist gaf niet hoog op over de manier waarop Hooker zich recentelijk in Nederland gepresenteerd had. “Wie zich de onsmakelijke kitsch-toestanden van het American Folk Blues Festival 1968 herinnert weet wat ik bedoel. De oer-Hollandse klap es in je handjes complexen inspireerden John Lee Hooker tot walgelijke vertolkingen van zijn grote hits, die bitter weinig met blues te maken hadden.
Een jaar later maakte hij opnieuw een kruistocht door Europa, vergezeld van Carey Bell, Eddie Taylor, Lowell Fulson en S.P. Leary. Het gezelschap haalde ons land niet en bleef steken in Frankrijk waar een drietal elpees verscheen en een vierde nog steeds in het vat zit. De muziek die hij hierop maakt is vakkundig en redelijk aangenaam, zonder het peil van de Bluesway’s of ouder werk te halen”.

‘Super vet belegde boterham’
Terecht had Leo geconstateerd dat – dankzij de British Invasion in de sixties – blues muziek in Amerika opnieuw gewaardeerd werd, deze keer relatief minder bij het zwarte publiek dan bij de blanke jeugd. Hooker was opnieuw van de partij.
Bruin: “In de States was een verlate belangstelling gegroeid voor de rauwere blues-stijlen, waarna een blues-rock vloedgolf de studentikose bluesbegeleiding overspoelde, hetgeen zijn effect op de muziek van Hooker niet miste. Naast de King’s en Muddy Waters kwam hij als een der helden naar voren.
Vijf jaar na zijn eerste plaat met een Engelse band maakte hij een dubbelaar met Canned Heat, wat een goede illustratie opleverde van de voorsprong die de Engelsen in hun belangstelling en verwerking van de blues en aanverwante zaken hadden.
Hooker’s pseudo-blues toer bleef gehandhaafd voor de campus-concerten. Zijn optredens met de grote rock-act van het moment laten weinig van zijn muziek over, doch leveren hem een super vet belegde boterham op”.
Bruin merkte dus op dat Hooker er financieel niet slechter op geworden was.

In het Oor-overzichtsartikel legde Bruin zijn eigen visie aan de lezers voor: “John Lee Hooker startte zijn platencarrière in 1948. In de 27 jaren die daarop volgen heeft hij een onnoemelijke hoeveelheid muziek laten vastleggen. Het merendeel daarvan is verdeeld over zo’n 140 solo-elpees terug te vinden, die tot zo’n 60 essentiële platen kunnen worden terug gebracht.
Tot 1954 was zijn muziek een compromisloze uiting van persoonlijke gevoelens, vol originaliteit en emotie. In de daarop aansluitende eerste vijf jaren bij Vee Jay bleef zijn muziek, zei het aangepast, gericht op de bruine platenkopers zonder veel van de eerdere karaktereigenschappen te verliezen.
Vanaf 1960, wanneer de blues snel aan (bruine) populariteit inboet, waait hij met alle commercieel aantrekkelijke winden mee. Hij maakt pseudo-authentieke blues met onversterkte gitaar voor het Amerikaanse witte volk op de universiteiten en festivals.
De blues revival in Engeland veroorzaakte ook in Amerika een bewustwording van wat blues werkelijk was en dwong John Lee terug naar de dirty sound, voor zover dat nog mogelijk was.
De laatste jaren raakt hij steeds meer in de greep van de blues-rock groepen, die allemaal graag een plaatje met de oude baas willen maken, waardoor er een karikatuur van zijn eigen sound over is gebleven”.
De journalist eindigde zijn artikel uit 1975 met een goede raad: Het was zaak om uit het grote oeuvre met vaste hand te selecteren. Wie dat deed kon ‘heel wat uurtjes weg duiken in de dirty sound van John Lee Hooker’.
Weelde
Blues en armoede, het ging vaak samen. De meest blues artiesten waren arm en bleven arm. Bij John Lee Hooker was dat anders. Hij had veel albums op de markt gebracht en zijn songs waren door anderen vastgelegd.
In 1982, tijdens een interview met Charles Shaar Murray, gaf hij inzage in zijn financiële status. Aan de Britse popjournalist legde hij uit dat hij zich nooit had laten verlokken om met allerlei veranderingen in de popmuziek mee te gaan. “Others have changed. Me, no. I ain’t changed. I don’t wanna change”. Dat gold ook voor de toekomst’. “I don’t care who change. I’m gonna do what I like and what I feel”.
Naar eigen zeggen kon hij zich dat permitteren. Hij zat er warmpjes bij, legde hij geduldig uit. “I’m doin’ really good. I ain’t hurtin’ for money. I got that. A lot. I done invest my money in real estate, I got about five homes in the States. I could retire and never do it no more, but I love it too much. This is my life, y’know”.
Als hij niet aan het werk was hield hij ervan om honkbal te spelen. Andere hobbies: auto’s en nog steeds vrouwen. “I love baseball, that’s my hobby, and cars is my hobby. I love driving new cars, I just got me the new Mercedes. You know the 360SL? I got a new one for ’82, it’s one of the best cars made. That’s what I like in life: cars, baseball and I likes ladies”.
Hij moest er zelf flink om lachen, om die belangstelling voegde hij eraan toe: “But I guess everybody do”.
John Lee Hooker voor een van zijn nieuwe auto's
The Healer
John Lee Hooker werd een jaartje ouder. Hoe oud weten we niet zeker. In vrijwel alle biografieën (en op zijn graf) is te lezen dat hij op 22 augustus 1917 geboren werd.
In een interview met David Sinclair in 1989 ontkende hij dat. De journalist tekende op: “I was born on 22 August 1920. My real age is 69”, he says unequivocally. “A lot of things you read tell a different story to the truth. Newspapers especially can brainwash people”. Sinclair: “Although all the reference books, and even his passport, put his age at 72, Hooker disputes this, claiming that when he was a teenager, he lied about his birth date to get round the lower age limit of 21 for joining the army”.
In dat jaar werkte een aantal artiesten samen voor een eerbetoon aan de blues. Robert Cray, Bonnie Raitt, Carlos Santana, George Thorogood, Charlie Musslewhite, Steve Berlin (Los Lobos), Henry Vestine (Canned Heat), ze wilden zich graag aansluiten bij de ‘koning van de boogie’, zoals hij op zijn graf aangeduid wordt. Het album ‘The Healer’ werd een internationaal succes. Zelfs in Nederland werden er meer dan 50.000 exemplaren verkocht. De gelijknamige single (met Carlos Santana) bereikte een vijfde plaats in de Nederlandse top 40.
John Lee Hooker werd aan het einde van zijn leven overladen met Grammies, zelfs een ‘Grammy Lifetime Achievement Award’ in 2000. Hij werd opgenomen in de Blues Hall of Fame, de Rock and Roll Hall of Fame en kreeg een ster in de Hollywood Walk of Fame. ‘Boogie Chillen’, opgenomen in 1948, belandde bij beste songs van de twintigste eeuw, een lijst opgemaakt door de RIAA, de Recording Industry Association of America.
John Lee Hooker overleed op 21 juni 2001. Al tijdens zijn leven was hij uitgeroepen tot een legende.
* John Lee Hooker, Van Morrison, Don't Look Back, 1989
Harry Knipschild
30 juni 2026
Clips
* John Lee Hooker, Boogie Chillen, 1948
* John Lee Hooker, Hobo Blues, American Folk Blues Festival, 1965
* John Lee Hooker interview, 1976
Literatuur
Robert Shelton, ‘John Lee Hooker: several styles of blues singing’, New York Times, 7 april 1961
Max Jones, ‘American Folk Blues Festival’, Melody Maker, 27 oktober 1962
David Griffiths, ‘Long John meets John Lee Hooker’, Record Mirror, 27 juni 1964
Max Jones, ‘John Lee Hoooker: Your kids dig the blues’, Melody Maker, 10 oktober 1964
‘Jan Cremer in Londen’, Vrije Volk, 17 november 1964
Harry Knipschild, ‘John Lee Hooker’, Fireball Mail, februari 1965
Joop Schrier, ‘Portret van een blues’, Trouw, 26 mei 1965
Harry Knipschild, hoestekst, ‘Soul Sound Hot 12’, 1967
Leo Bruin, John Lee Hooker muzikaal onderuit’, Oor, 21 mei 1975
Charles Shaar Murray, ‘Talkin’ Blues’, New Musical Express, 5 juni 1982
Bob Ruggiero, ‘John Lee Hooker: Comin’ Home’, Daily Texan, 26 januari 1989
David Sinclair, ‘John Lee Hooker: Nothin’ shakes a true legend’,Times, 27 oktober 1989
- Raadplegingen: 488
