136 - J.L. Waterreus uit Scheveningen (1859-1919) onder de Pathanen in Brits-Indië
In de Annalen van het Missiehuis te Roosendaal en het Studiehuis te Tilburg was anno 1919 (juni) een ‘In memoriam Father J. Waterreus’ afgedrukt. De pater, die met ‘father’ werd aangeduid omdat hij toegetreden was tot de Britse missie-organisatie van Mill Hill, was op 2 mei 1919, 60 jaar oud, overleden.
Waterreus, afkomstig uit Scheveningen, had, zo kon je lezen, oorspronkelijk gekozen voor een loopbaan als onderwijzer. Nauwelijks 18 jaar had hij al het vereiste examen met goed gevolg afgelegd. Maar blijkbaar was hij voor een ander ‘vak’ in de wieg gelegd. “De roeping tot het priesterschap was tijdens zijn studiejaren ontwaakt. Hij ging naar het seminarie te Kuilenburg (Culemborg) en begaf zich vervolgens naar het college te Mill Hill [Londen] waar hij op 17 december 1887 de priesterwijding ontving”.
Zijn eerste opleiding had hij ontvangen bij de broeders aan het Westeinde in Den Haag. In de Sint Theresia-parochie hadden de Jezuïeten hem de beginselen van het Latijn bijgebracht.
Van Scheveningen naar de Punjab
Waterreus (wiens voornaam niet genoemd werd) vertrok op 2 februari 1888. Hij werd ingezet voor de missie in de Punjab, het bergachtig gebied dat momenteel als noordelijk onderdeel van India grenst aan Pakistan.
Volgens de redacteur van het missietijdschrift verrichtte hij daar goed werk. Hij werd belast met de heropening van het Sint Thomas College (in Murree, nu Pakistan – hoog in de bergen). “Twee jaar lang heeft hij daar gezwoegd en zich afgetobd voor zijn jongens. Omdat hij niet voldoende personeel had, schrok hij er niet voor terug zelf allerlei huiswerk te verrichten, zelf dag en nacht toezicht te houden op de jongens en overal voor te zorgen”.
Blijkbaar deed hij dat naar behoren: “Toen hij na twee jaar het college aan zijn opvolger overliet, was het college gerestaureerd, goed van al het nodige voorzien, en verzorgd door behoorlijk personeel”.
kerk in Murree
Cholera
Waterreus werkte niet onder optimale omstandigheden – integendeel. “Tijdens zijn verblijf woedde er gedurende enige maanden een kwaadaardige cholera in Murree en omgeving. Die veroorzaakte ontreddering. Er waren honderden gevallen met dodelijke afloop. Onafgebroken was Father Waterreus in de weer om aan de katholieken de laatste heilige sacramenten toe te dienen. Met behulp van goede vrienden was hij in staat overal verlichting en troost te brengen”.
Om maar een voorbeeld te noemen: “Een alleenstaande nederzetting van Europese vrouwen en kinderen bleef zonder verzorging en zonder levensmiddelen. Father Waterreus bracht uitkomst. Hij liet voedsel klaarmaken en koken in zijn college en het vervolgens naar de inrichting brengen, waar hij het persoonlijk onder de zieken uitdeelde. Dag en nacht stond hij bovendien klaar om de stervenden in het ziekenhuis bij te staan”.
Overgeplaatast naar Peshawar
Het was niet gebruikelijk dat missionarissen lang op dezelfde plek bleven. Waterreus werd weldra overgeplaatst naar Peshawar (nu in Pakistan). In die stad woonden op dat moment 100.000 mensen. Er was een Brits garnizoen van maar liefst 25.000 man ingekwartierd. Peshawar was immers ‘een belangrijk punt op de afgelegen grenzen van Brits-Indië, te midden van woelige moslim-stammen’.
De pater maakte een goede indruk: “Spoedig won hij het vertrouwen en de hoogachting van allen waarmee hij in aanraking kwam”.
Van bekeren was evenwel geen sprake: “Hij kon weinig missiearbeid verrrichten in dit islamitisch broeinest. Maar de inboorlingen [de plaatselijke bevolking] hadden toch achting voor hem. De hogere standen waren er ten zeerste op gesteld dat hij de laatste hand zou leggen aan de opvoeding van hun jongens”.
Ongetwijfeld had Waterreus andere prioriteiten: “Zijn werk als aalmoezenier van de Europese en inlandse katholieken nam het grootste gedeelte van zijn tijd in de beslag. Hij was de vriend en vertrouwde raadsman van de minderen, altijd bereid hun te woord te staan, om de goeden aan te moedigen en de afgedwaalden op te zoeken”.
Met entertainment kwam hij een stuk verder. “Inziende dat een militair tehuis voor hen onontbeerlijk was, zette hij zich onmiddellijk aan het werk om er een te openen. Spoedig verrees er bij de kerk een ruim en geriefelijk gebouw, toegerust met alles wat voor de ontspanning van de manschappen nodig was. Hier kon men hem elke avond vinden te midden van zijn jongens, pratend, spelend en geheel met hen meelevend”.

Waterreus schrijft
In zijn nieuwe standplaats vond Waterreus de tijd om de lezers van het missieblad een en ander te vertellen over de regio waar zijn overste hem had neergeplant. In de jaren 1892-1893 leverde hij een serie artikelen af – met als leidraad: ‘Onder de Pathanen’. Het eerste verscheen in augustus 1892, 133 jaar geleden.
Zijn omgeving beschreef hij met de woorden: “De vallei van Peshawar vormt het meest noordwestelijk gedeelte van het Brits-Indische rijk en is gelegen tussen de rivier de Indus en het Khyber-gebergte”.
Green vreedzame omgeving
De Scheveninger besefte dat hij niet in een vreedzame omgeving vertoefde. Vrede was er een zeldzaamheid. “ Geen land in de wereld is ooit het toneel geweest van zoveel bloedvergieten als deze vallei, want door haar lag de enige weg naar Indië, het droom- en goudland der oude Griekse en Perzische veroveraars, van Alexander de Grote en zijn opvolgers.
Strabo en Ptolemeus, de oude geschiedschrijvers, geven een juiste beschrijving van dit district – die alsnog ten huidigen dage kan bewezen worden – en Adrianus, de geschiedschrijver van Alexanders expeditie, geeft zelfs de namen van stammen en plaatsen, die in de huidige plaatsnamen gemakkelijk worden weergevonden.
Gedurende twintig eeuwen en meer, tot op onze dagen toe, heeft die strijd volgehouden, nu eens op grotere, dan op kleinere schaal, maar volmaakte vrede heerst er nooit, want wanneer er geen aanvallen van buiten plaats hebben, dan wenden de verschillende stammen zich tot onderlinge strijd en familieveten, die altijd een bloedige afloop hebben en slechts vergeten worden in het uur van algemene nood”.
De Britten, vond hij, hadden prima werk gedaan. “Het Engelse bestuur heeft in de laatste tijden grote veranderingen tweeg gebracht”. Maar weg van de begaande paden was het bepaald niet rustig. “Onder de meer verwijderde stammen worden de oude gewoonten gehandhaafd. Ze zijn min of meer onafhankelijk omdat ze zo moeilijk te bereiken zijn”.
Het gebied van de Pathanen (Pashtun)
Pathanen, fanatieke mohammedanen
Waterreus waagde zich aan, zoals hij het noemde, ‘een vluchtige krakterschets’: “Breed genomen kan de hele bevolking Afghaans genoemd worden. Maar de crème de la crème zijn de Pathanen”, die hij duidde als ‘fanatieke moslims’. Hij vulde aan: “Iedereen die met hen in aanraking komt, betreurt het dat zulk een krachtig en onafhankelijk volk door de ontzenuwde en dodende leer van Mohammed in slavernij, vernedering en misdaad wordt gehouden”.
Aan het oprukken van de islam, op het Iberisch schiereiland en later de Balkan, was volgens hem gelukkig een einde gekomen. Meer moslims, een moslimoverheersing – het zou een ramp voor Europa geweest zijn, tot die conclusie kwam hij in Peshawar: “Juist hier kan men het verderfelijke van de islam zien en zich een denkbeeld vormen wat van Europa (en Azië) zou geworden zijn, indien de halve maan er had gezegevierd”.
Europa, met zijn christelijke cultuur, was volgens hem dan ook verplicht om aan het oprukken van dat ‘bijgeloof’ overal een halt toe te roepen: “Welk een zware verplichting rust op de schouders van de christelijke mogendheden, om in Afrika of in enig ander werelddeel de verspreiding van de islam tegen te gaan”.
Het kwam bij Waterreus kennelijk niet op, dat er ooit een tijdperk zou kunnen komen, waarin aanhangers van de profeet en zijn geloof zich opnieuw in grote hoeveelheden in voormalige christelijke landen zouden melden en vestigen. Dat was in die tijd ondenkbaar.
Over die Pathanen, waarmee hij in Peshawar en omgeving te maken had, legde hij vast: “Ze zijn zeer levendig van aard, buitengewoon bijgelovig, zeer trots, maar dapper en gastvrij. Die deugden kunnen echter niet opwegen tegen de karakteriserende ondeugden van trouweloosheid, drift en wraakzucht”.
Geweld
In dat eerste artikel stelde de pater dat de Pathanen zich aangetrokken voelden om dienst te doen in het Britse leger. “Hun voornaamste bezigheid is de landbouw. Zeer zelden oefenen zij enig ambacht uit, want ze zijn er ongeschikt voor en zien er met verachting op neer”.
Omgaan met geweld was min of meer vanzelfsprekend. “De meest gegoeden onder hen zijn grote minnaars van de valkenjacht. Allen zijn verzot op het doden van het een of andere dier, maar zij hebben geen idee van jagen gelijk een echte jager zulks verstaat.
Het soldatenleven heeft grote aantrekkelijkheid voor hen, en een groot getal jongelui neemt tegenwoordig dienst in de inlandse regimenten van het Engelse gouvernement”.
Ingang Brits fort met ‘inlandse’ soldaten
Wilde muziek en lawaai
Lawaai was er altijd. “Feestelijke bijeenkomsten hebben dikwijls plaats, hetzij aan het graf van een of andere mohammedaanse heilige, of bij gelegenheid van een jaarmarkt, waar zij vaak bijeenkomen zonder aan kopen of verkopen of zelfs aan vechten te denken, maar alleen om lawaai te maken en zich gelukkig te gevoelen.
Ringrijden, schijfschieten, harddraven en muziek wisselen elkaar af. De joelende menigte van kinderen en jonge mannen, die men daar te zien krijgt, geeft duidelijk het levendige van het Pathaanse karakter te kennen.
Zij zijn uitmuntende ruiters en schutters, en houden veel van wedstrijden op dat gebied, maar wanneer zij met dat doel bij elkaar komen, vormt hun wilde muziek en zang altijd een groot gedeelte van de pret.
Worstelen, wedlopen en dergelijke lichaamsoefeningen zijn bij hen niet in zwang, en zij zien zelfs met afkeer neer op andere volksstammen, die dergelijke wedstrijden aanmoedigen”.
Omgangsvormen
Waterreus had ook een mening over hoe de Pathanen met elkaar omgingen. “Hun liefde voor het ouderlijk huis is groot, en houdt veel jongelui nutteloos in hun geboorteplaats, die anders in vreemde plaatsen in veel betere omstandigheden zouden kunnen leven.
Volgens hun naburen zijn de Pathanen begerig, gierig, zelfzuchtig, onbarmhartig, zonder gevoel en zonder dankbaarheid.
Dit oordeel is echter wel wat te streng. Ofschoon niet altijd oprecht, is de Pathaan in zijn manieren tegenover zijn stamgenoten en vreemdelingen zeer hoofs, en toont hij een beleefdheid, die men niet zou verwachten van mensen, die zulk een woest en bewogen leven leiden.
Het niet teruggeven van de salaam (‘vrede zij met u’), de gewone groet, is een persoonlijke belediging die tot gewelddadigheden aanleiding kan geven.
Wanneer vrienden elkaar na lange afwezigheid ontmoeten is er geen eind aan de omhelzingen, terwijl beide partijen een kruisvuur van complimenten wisselen, dat een oningewijde voor allerzotst zou houden”.
Gezag
Bij de Pathanen leek er een duidelijke ordening te zijn. Je moest doen wat je opgedragen werd. “Het is zeer merkwaardig dat zij grote eerbied hebben voor gezag, dat zich laat gevoelen. Het waar en waarom van een zaak die verricht moet worden, zullen zij wellicht zeer moeilijk begrijpen, maar wanneer men hun aan het verstand brengt dat het moet gebeuren, dan tonen zij door hun bereidvaardigheid dat zij het woord ‘bevel’ (hukm) best verstaan”.
De Nederlandse father gaf wat voorbeelden. “Hun trotsheid is buitengewoon groot. Zij pochen altijd op hun afkomst, hun grote daden in het veld, hun onafhankelijkheid enzovoort. Deze buitengewone dunk van hun eigen eer is de beste illustratie van hun trots, en is ongelukkigerwijze de oorzaak dat zelfs de minste belediging onmiddellijk gewroken wordt.

Volgens de wet van ‘nanawatai’, of ‘het binnentreden’, is een Pathaan verplicht, zo nodig zelfs ten koste van zijn leven en zijn bezittingen, iedereen te huisvesten en te beschermen die onder zijn dak een toevluchtsoord zoekt. Dit strekt zich zelfs uit tot de persoonlijke vijanden van de beschermer.
In sommige gevallen omvat dit gebruik alle levende schepselen, mensen, dieren en gevogelte, ofschoon de bescherming slechts verleend wordt zolang de vluchteling zich binnen de muren bevindt.
Eens daarbuiten, dan mag de beschermer van zo even zelfs de eerste zijn om de vroegere beschermeling te doden of te verwonden”.
Heel bijzonder, vond ik [HK] toen ik het las.
Wraak
Waterreus besteedde er tevens aandacht aan hoe het toeging bij onderlinge conflicten. “Badal is de oude wet, een oog voor een oog en een tand voor een tand – zelfs de minste belediging wordt met weerwraak gestraft.
De wet van mailmastai verplicht de Pathaan iedere vreemdeling te voeden en te huisvesten, die hem daarom vraagt, en grote schulden worden veroorzaakt door de uitoefening van deze gastvrijheid.
Deze laatste is hun grootste deugd. De gastvrije man is de man naar het hart van een Pathaan. Hij is altijd populair, terwijl de gierigaard (‘shum’), hoe rijk hij ook zijn moge, niet de minste invloed heeft.
Indien een Pathaan een van deze wetten van eer zou minachten of verwaarlozen, zou hij ten spot en ter verontwaardiging strekken van de ganse stam.
Het gevolg is dat geen van die wetten ooit verwaarloosd wordt, vooral niet die der wraak. Het gebeurt zeer dikwijls, zelfs nu nog, dat de beledigingen en onrecht eerst door een tegenwoordig geslacht gebroken worden. De ouden van dagen maken het zich tot een plicht hun kinderen en kleinkinderen van hun onrecht te verhalen, opdat zij te gelegener tijd wraak zullen kunnen nemen.
Moord wordt zeer dikwijls gepleegd en wordt bijna altijd veroorzaakt, zoals het volk het zelf zegt, door ‘zan, zar of zamin’, dit is: vrouwen, geld of land. Vele moorden zijn het gevolg van oude familie-veten, en daar iedere Pathaan dag en nacht gewapend is, vindt hij weinig moeilijkheid om op een gunstig ogenblik zijn vijand naar de andere wereld te zenden”.
Khan en imam, wereldlijke en geestelijke leiders
Waterreus, de nog betrekkelijk jonge missionaris uit Scheveningen, waarschijnlijk geboren in 1859, keek anno 1892 zijn ogen uit in de omgeving van Peshawar. Hij had dan ook heel wat te melden, zo bleek uit de artikelen die stukje bij beetje in het blad aan de orde kwamen,
In het eerste artikel schreef hij: “Laat ons thans een blik slaan op hun dagelijks leven en wat daarmee in verband staat. Omdat de landbouw hun voornaamste bezigheid uitmaakt, is de verdeling van het land onder de verschillende stammen en families van overwegende invloed.
Iedere ‘khel’, clan of familie heeft een aangewezen grondgebied (‘kandi’). Elk huisgezin in de khel krijgt een bepaald gedeelte. Dit gedeelte krijgt de naam van ‘kandar’, en bestaat uit huis en erf, waar de familie, de aanhangers en het vee huisvesting vinden.
Elke kandi heeft een hoofdman, ‘malik’, wiens gezag door de kandi bepaald is. Het is zijn plicht de orde te handhaven, verschillen tussen de hoofden der huisgezinnen te beslechten, de belastingen te innen, de verdeling van de oogst te regelen, enzovoort.
Iedere malik is gehoorzaamheid verschuldigd aan de ‘khan’ of het hoofd van de stam. Hij zendt hem een geregeld verslag van de stand der zaken en ontvangt van hem alle bevelen”.

Behalve een wereldlijke stamleider, speelden de geestelijken, de mullahs, onder leiding van een imam een rol. “Elke kandi heeft zijn eigen moskee of ‘jamaat’, een vergaderplaats, ‘hujra’, en in vele gevallen ook een versterkte toren of ‘burj’. De moskee wordt verzorgd door een staf van mohammedaanse priesters, ‘mullahs’, onder een superieur, genaamd de ‘imam’.
In hun onderhoud wordt voorzien door landerijen, die aan de moskee behoren en verder door de giften der gelovigen, die hun dagelijks geschenken in levensmiddelen zenden. Zij zijn verplicht de leiding op zich te nemen in de gebeden, het volk te onderwijzen in de leer en de gebruiken van de islam, huwelijken in te zegenen, begrafenissen bij te wonen en besnijdenissen te geven, wanneer zij daartoe geroepen worden; daarenboven de tijden vast te stellen voor feesten en vastendagen, en voor het begin van ondernemingen van allerlei aard.
Bij al deze gelegenheden krijgen zij geschenken in geld, vee, spijzen of kleren, naar het vermogen van de gever.
Iedere Europeaan, die met hen in aanraking komt, is ten volle overtuigd dat er bijna geen grotere schurken te vinden zijn”.
Waterreus, de katholieke missionaris, had dus geen hoge pet op van de islamitische geestelijken.
Een bijzonder gebouw
Op sommige plekken speelde de hujra een opvallende rol. “Het is een openbaar gebouw met erf en stallen voor het vee. In de meeste gevallen behoort het in eigendom aan de malik, die verplicht is alle vreemdelingen en reizigers daar te huisvesten. Bedding en voer voor het vee wordt verstrekt door de inwoners – beurtsgewijze.
In de hujra worden alle openbare aangelegenheden van het dorp besproken: de dorpelingen en vreemden komen daar bijeen om te roken en te praten. De gasten worden daar onderhouden, en de losbollen van de plaats brengen er gewoonlijk het grootste gedeelte van de tijd door.
Alle ongehuwde personen van het mannelijk geslacht, die een zekere leeftijd bereikt hebben, moeten erin slapen, want het is algemeen gebruik onder de Afghanen, dat geen vriend of reiziger of zelfs geen zoon, die de mannelijke leeftijd bereikt heeft en ongehuwd is, de nacht in zijn vaders huis zal doorbrengen.
Deze gewoonte vindt hoogstwaarschijnlijk haar oorsprong in de bouw der huizen, waar geen afzonderlijke vertrekken voor de vrouwen zijn; maar zij werkt allerverderfelijkst op de zeden der jongelui, zoals gemakkelijk te begrijpen valt.
De burj of wachttoren wordt hoofdzakelijk gevonden in de meer afgelegen plaatsen en is altijd verbonden aan het huis van de malik. Deze toren wordt altijd gebruikt als een toevluchtsoord en observatiepost in geval van een vete tussen verschillende clans, en in geval van een te verwachten aanval van vreemden.
Men vindt ze nog tegenwoordig op Engels gebied, overblijfselen van vroegere dagen, toen de ene clan bijna altijd in oorlog was met de andere, of de bewoners dagelijks een aanval verwachtten van hun oude vijanden, de sikhs. De meesten hunner dienen nu als stallen voor het vee”.
Huizenbouw
Waterreus was bij wijze van spreken niet te stuiten. Hij ging maar door met het verstrekken van informatie. Over de huizen schreef hij: “Die zijn gewoonlijk van klei en zelden hoger dan tien voet [een meter of drie]. In de regel bestaan zij uit vier muren, met een opening voor de deur, waar het licht door binnenkomt en de rook uitgaat.
Soms volgt men de bouwmethode van Babel, dat is, de klei wordt gevormd tot een steen die in de zon gedroogd wordt, deze stenen worden dan met natte klei vermengd en met gekapt stro te zamen gevoegd.
Over het algemeen maakt men de zaak eenvoudiger door grote stukken klei op elkaar te hopen, met hier en daar een stuk hout ertussen voor stabiliteit, en in beide gevallen worden de muren van binnen en van buiten met natte klei bestreken, die, eenmaal opgedroogd, een tamelijk gelijke oppervlakte maakt. Zoals men begrijpt kost het weinig tijd en nog minder geld om een woning op te richten”.
Er was geen sprake van rijtjeshuizen. “Elk huis heeft een klein erf, dat met een muur van klei wordt afgesloten en waar ’s nachts de schapen of geiten verblijf houden. Binnenshuis vindt men gewoonlijk een kandi of bewaarplaats van koren voor dagelijks gebruik, ook uit klei gevormd; een paar hangende kribben voor de kinderen, enige bedden, een paar stoelen zonder leuningen en klerenkast of liever kist, een paar spinnewielen en een hoeveelheid aarden potten en pannen”.
Evenals kerken in Europa ten opzichte van gewone woningen waren moskeeën groter dan de huizen in een woongeneenschap. “De moskee is gemakkelijk te herkennen door grotere omvang, en door het aantal ‘talib-ilms’, ‘zoekers naar waarheid’, die gewoonlijk hun studiën maken op de open plaats voor de moskee gelegen.
Het dak van de moskee draagt op de hoeken de horens van wilde geiten, als een ornament”.
Bidden in Peshawar (1905)
“ De huizen der hoofdlieden zijn een weinig beter gebouwd, maar het plan is altijd hetzelfde; soms vindt men een moestuin en enige vruchtbomen in het erf besloten”.
Voedsel en kleding
De missionaris uit Scheveningen sloot zijn eerste artikel af met nog wat bijzonderheden. “Het voedsel van het gewone volk is zeer eenvoudig. Het bestaat gewoonlijk uit tarwe en gerstkoeken, in de as gebakken, zonder gist, groenten, wilde vruchten, melk, boter, kaas en zeer zelden vlees. Zij hebben twee maaltijden; de eerste om tien uur in de morgen, en indien er iets overblijft, wordt dat gebruikt om twee uur in de middag.
De tweede geregelde maaltijd wordt gewoonlijk om acht uur ’s avonds gehouden. De meer gegoeden houden zich aaan dezelfde uren, maar gebruiken meer rijst, vlees en gevogelte. Suiker en wilde honing maken een voornaam deel van de voeding uit”.
Helpers van de Britten
Over de kleding liet hij weten: “Die is zeer eenvoudig. Een pagri of linnen doek als hoofddeksel, een open buis, soms een hemd, en een brede lange broek, die met een band om het midden wordt vastgemaakt.
Het hele kostuum wordt gemaakt van eigen-gesponnen stof en kost gewoonlijk niet meer dan een paar gulden; de jas of het buis of hemd, hoe je het ook noemen wilt, is dikwijls blauw geverfd om het wassen uit te sparen, en wordt soms zo lang gedragen tot het geheel in flarden is.
De hoofdlieden en meer gegoeden dragen kleren van het zelfde model, maar uit betere stof vervaardigd.
In de winter draagt men over dit alles een jas van schapenvachten.
De betere klassen dragen schoenen en in de winter zelfs kousen.
Een leren riem omgordt de lendenen en houdt pistool en zwaard en het gevaarlijke Afghaanse mes in positie.
De meesten hebben een zilveren zegelring aan de vinger, een gebruik dat zeer nuttig is, omdat weinig personen kunnen lezen en schrijven, en bij het geven van bewijzen of sluiten van contracten de naam van de contractant gemakkelijk wordt overgedrukt.
Het hoofd wordt altijd geschoren, behalve door enige bergebewoners, die twee haarlokken boven de oren laten groeien; allen dragen een baard”.
De missionaris eindigde met een cliffhanger: “Over de vrouwen spreken wij later”.
Peshawar in 2025
Harry Knipschild
24 november 2025
Clips
- Raadplegingen: 553
