Skip to main content

11 - Gerrit Paape met Daendels van Oostende naar Den Bosch in 1794 (vervolg)

1 1 Daendels
 
De patriot Gerrit Paape, op 4 februari 1752 in Delft geboren, moest in 1787 het land uit vluchten voor de Pruisische troepen die Nederland binnenvielen om Wilhelmina van Pruisen en haar echtgenoot, stadhouder Willem V, terug aan de macht te brengen. In Frankrijk vernam Gerrit dat hij voor eeuwig uit Nederland, en zeker de provincie Holland, verbannen was. Dat moet hard aangekomen zijn.
    Als assistent van generaal Herman Willem Daendels, die dienst deed in het Franse leger dat naar het noorden optrok, passeerde Paape in september 1794 tussen Meersel en Breda de Belgisch-Nederlandse grens. Het was voor hem een emotioneel moment, legde hij vast in het reisboek dat een jaar later in dagboekvorm gepubliceerd werd. (Je kunt het eerste deel hier lezen).
 
 
Tilburg
 
 
Op 12 september bevond Gerrit Paape zich in Tilburg. Kort daarvoor, in Bavel, was hij ontsnapt aan een brand in het schoolgebouw waar hij, samen met Daendels, de nacht doorbracht. “Wij kwamen met de schrik vrij”, noteerde hij na aankomst in Tilburg. Die dag was het tweetal met het Franse leger vanuit Breda verder gereisd. Paape: “Na ’s nachts wat op het stro gerust te hebben zette ik me op mijn karretje en volgde met de bagage”.
    In ‘het grote en schone dorp Tilborg’ viel Paape met zijn neus in de boter. Het was etenstijd. “Wij kwamen recht op de maaltijd aan”. Gerrit deelde de dis niet alleen met Daendels maar tevens met de prominente patriot Pieter Vreede (1750-1837). Later die middag dronk hij bovendien thee met de Delftenaar F.W. Buizer die hij in zijn verslag omschreef als ‘goede vriend’ en ‘secretaris van het Delfts genootschap en wapenhandel’.
.
.
11 1 Pieter Vreede
.
Paape genoot van zijn terugkomst in Nederland. In het ‘bevrijde’ Tilburg konden de patriotten zich nu vrij bewegen. Na al ‘die zwerftochten over de aardkloot en een lange, rampspoedige omdwaling’ constateerde hij dan ook: “Dit geluk is te groot voor mij”. Het leek bijna onwerkelijk.
    Van de aanwezigheid van de Franse legerleider en generaal Pichegru ten huize van Vreede in Tilburg maakte hij in zijn verslag geen melding.
.
.
Avond en nacht in Biest (tussen Hilvarenbeek en Moergestel)
.
.
In zijn rapportage vertelde Paape dat hij met het Franse leger optrok naar Biest, ‘een zeer arm, sentimenteel gehucht’. Opnieuw genoot hij.
    “Verbeeld je de prachtige natuur in een woeste en onbestudeerde aanleg van wegen en akkers met een schaduwrijk geboomte”. Huizen waren er niet, wel hutten waar eenvoudige mensen op af en toe vruchtbare grond ploeterden. Ondanks hun armoede waren ze volgens hem gelukkig. “De gulle oprechtheid sprak uit hun ogen”.
    Op die plek in Noord-Brabant was het Franse leger neergestreken. Het was een romantisch gezicht. “’s Avonds leverde dit de verrukkelijkste vertoning op. Door duizend onregelmatig geplante bomen zag men honderden vuren met licht en schaduw”. De bekoorlijke natuur was zo mooi verlicht, het leek wel een schilderij. “Soms legt men er hele bomen op zodat het vuur huizenhoog opvliegt”.
    Rondom het vuur sliepen de soldaten tussen de paarden en wagens om zich tegen de koude nachtlucht te beschermen. Anderen bleven nog een tijdje wakker. “Bij dit aanzicht krijgt ook het gehoor zijn aandeel: zingen, muziek, trommels, trompetten lieten zich hier en daar horen”. Het leek eerder een schoolreisje dat een veldtocht, vond hij.
.
Herman Willem Daendels was eveneens van de partij in Biest. “Het hoofdkwartier was geplaatst in een ellendige boerenhut, die uit niet meer dan twee vertrekken bestond”. Vóór de komst van de Fransen woonde er een stokoude boer met zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, meid en knecht. “Onze generaal Daendels sliep er in een stro-bed temidden van andere officieren en de belangrijkste meubels: kaarten, boeken, levensvoorraad bestaande uit vlees, brood en wijn”.  
    Alvorens te slapen werd er goed gegeten door de generaal en zijn ‘grote nasleep’ – met dertig à veertig karren. De kok bereidde de maaltijd in een pot die boven het vuur hing (‘de schoorsteen besloeg bijna de helft van het vertrek’). Het voedsel werd naar binnen gewerkt met hetgeen de boer te bieden had: een pan van rode aarde (rauw en geschilferd), borden, lepels en vorken die Paape aanduidde als ‘oud, krom, vuil, ongemakkelijk en onbruikbaar’.
    Het ging er primitief aan toe. “Onze avondmaaltijd werd verlicht door een kleine, smerige lamp die nauwelijks zijn verlichtende stralen tot het andere einde van de bij elkaar gezette tafels kon overbrengen”.
    “Generaal Daendels zat in een stoel die volgens de boerin sinds onheuglijke tijden als kraamstoel gebruikt was”, aldus Gerrit Paape.
.
De auteur van het reisboek deed meer dan de feiten weergeven. Hij had een ‘oogmerk’, wilde aantonen dat hij temidden van echte helden vertoefde. “In deze hut zag ik hetgeen men in helden roemt en dat kleine volkeren dikwijls onoverwinnelijk maakt: de eenvoud van zeden, de nederigheid van het hart, de verhevenheid van bedoeling, die alle niets ter zaken doende kleinigheden over het hoofd ziet”.
    Paape wilde het grote oogmerk aanvullen. “De brave [= dappere] Daendels had het zo druk met zijn edel en groot plan dat hij ongetwijfeld niets van de nederige omstandigheden opmerkte”.
    Over zijn eigen slaapplaats gaf de journalist aan: “Met een beetje geluk vond ik een slaapplaats in een hooi- en haverschuur waar ik een goede nachtrust genoot. Als men stro genoeg heeft scheelt het maar weinig of men ligt er even gemakkelijk en warm op als op een middelmatig bed”.
.
.
Vechten bij Boxtel
.
.
11 2 slag bij Boxtel
 slag bij Boxtel
.
.
De Franse militairen die Nederland probeerden te veroveren waren voor patriotten als Herman Willem Daendels en Gerrit Paape – het moge duidelijk zijn – absoluut geen vijanden, integendeel. Daendels met name werd steeds aangeduid als een vriend van de Fransen.
    Als generaal in het Franse Noorderleger was Herman Willem na het verblijf in Biest weer vroeg uit de veren. Paape zag het leger vertrekken. “Ik was lang voor de zon op en liep heerlijk rond. Urenlang keek ik naar de legertrein die voorbijtrok in de richting van Boxtel”.
    Zelf moest hij bij de bagage achterblijven totdat de volgende slag beslist zou zijn. “Er bleef enig voet- en paardenvolk in de buurt om ons te verdedigen tegen eventuele vijandigheden”.
    Paape leefde mee met de strijd. “Aan de kant van Boxtel konden wij ’s avonds het schieten goed horen. Wij wensten onze broeders voorspoed. Omdat de generaal met zijn officieren naar Boxtel vertrokken was werd er niet uitgebreid gekookt. We moesten ons tevreden stellen met melk en brood – een maaltijd à la sansculotte!”
    De Delftenaar mocht die nacht slapen in het bed van LaCombe, de generaal die bij Boxtel namens Parijs de orders aan het leger gaf. Maar bijzonder was de slaapplaats niet. “Dat zal wel wat schoons zijn, zou men denken”, legde Paape vast. Het bed bestond echter uit niet meer dan enige bossen stro, netjes geschikt in de hoek van een oude paardenstal. Van slapen kwam niet veel, schreef hij. “Want aan het voeteneind stond een paard. Met die dieren had ik weinig op. Telkens verbeeldde ik me dat het beest losbrak”.
.
Paape had er geen idee van hoe het generaal Daendels verging in Boxtel. Noodgedwongen bracht hij de tijd door in het veld bij het verlaten hoofdkwartier. Gerrit hoorde schieten. Het leek hem alsof het geluid verder weg was dan daarvoor. Dat was een goed teken.
    Maar enkele uren later werd er dichtbij geschoten. De achtergebleven Franse militairen waren meteen paraat. Zou dat het geluid zijn van een vijandelijke (dus Nederlandse) patrouille?
    “Tot onze gerustelling vernamen wij dat enige Franse soldaten geschoten hadden op een groep boeren die hen met stokken en hooivorken te lijf gegaan waren”.
    Blijkbaar was niet iedereen in Noord-Brabant blij met de komst van de bevrijders uit Frankrijk.
.
Niet veel later was er echt goed nieuws. “Wij kregen bericht van de grote overwinning door de Fransen”. Stadhouder Willem V had vergeefs een internationaal leger (‘van geallieerden’) opgebracht om zich tegen de aanval uit het zuiden te verdedigen. Een van de geallieerde officieren was Arthur Wellesley (1769-1852), die als Wellington in de slag bij Waterloo een hoofdrol zou gaan spelen.
    Daendels had zich volgens Paape weer eens in positieve zin onderscheiden. “Onze generaal heeft zich in Boxtel allervoortreffelijkst gekweten. Ik wenste dat ik meer bijzonderheden wist”.
.
.
11 3 herinnering aan de slag bij Boxtel
 herinnering aan slag bij Boxtel
.
.
Na dat verheugende bericht had het hoofdkwartier in Biest geen functie meer. “Wij kregen opdracht om ons met alle bagage naar Boxtel te begeven. Ik laadde mijn karretje met alle spullen vol om rechtstreeks naar Boxtel te rijden”.
    Paape reed niet alléén naar de plek waar Daendels verbleef. De rit ging in een lange colonne, met alle gevolgen van dien. De zwakste schakel bepaalde het tempo. “Dit is de langzaamste en vervelendste reis die men kan uitdenken. Zo dikwijls als er een paard pissen moet (dat is dikwijls het geval bij ettelijke honderden paarden) of als er iets aan een rijtuig mankeert, dan staat de hele trein stil. Over een weg van nog geen twee uur rijden deden we meer dan vier uur”.
.
Paape arriveerde pas in Boxtel toen het daar al donker was. Het hoofdkwartier was onvindbaar. Bovendien zaten alle huizen vol. Er zat voor hem niets anders op dan in de open lucht te slapen. “In deze koude nacht ondervond ik het soldatenleven. Tegen een uur of drie ’s nachts was ik door en door koud geworden”.
    Maar er kwam licht in de duisternis – letterlijk. “Ik bespeurde een groot licht achter mij. Midden op de markt van Boxtel vond ik een vuur van vijf of zes dikke bomen, op elkaar gelegd. In een ogenblik was ik zo warm als ik me op dat moment maar wensen kon”.
.
.
Optreden van het Franse leger
.
.
Het Franse leger kon weer verder oprukken, nu in de richting van Sint Oedenrode.
    De militairen van Willem V waren er in dat dorp vandoor gegaan zodra ze beseften wat hun te wachten stond, maar niet zonder te plunderen en de bruggen over de Dommel vernield te hebben.  
    Paape constateerde dat de inwoners geen aanhangers van de stadhouder waren. “Zodra de Fransen verschenen, herstelden ze de bruggen en verwelkomden hun verlossers. Ze boden de Fransen allerlei verfrissingen aan – ‘een edel bedrijf’”.
.
De voorhoede van het Franse leger had zich eveneens misdragen, vernam Paape. Tot ergernis van de inwoners hadden ze geplunderd, afgeperst en mishandeld.
    Met zoiets moest je bij mensen als LaCombe Saint-Michel niet aankomen. Uiterste discipline was noodzakelijk. “Er zit al een generaal in arrest omdat hij de plundering niet belet heeft. Verscheidene officieren zijn weggejaagd. Een menigte soldaten, schuldig aan die misdaad, is voor de kop geschoten”.
.
Paape voelde zich geroepen om meer te schrijven over het gedrag van de Franse militairen, in wier gezelschap hij verkeerde. “Plunderen en mishandelen zijn onafscheidelijk van de oorlog. Het heeft bij vrienden en vijanden plaats”. Maar volgens hem meer bij troepen van de stadhouder dan bij die van de Fransen. “Van onpartijdige getuigen hoorde je dat de soldaten van de geallieerden, die nota bene de burgers als vrienden beschermen moesten, het tien malen erger gemaakt hebben dan de Fransen die als vijanden binnen kwamen”.
    De Franse legerleiding nam, zo nodig, harde maatregelen. “Er is bij de Franse natie geen excuus voor plunderen en mishandelen. Die beschouwt het als misdaden. Een dergelijk gedrag hoort niet bij Franse republikeinen. Het wordt dan ook met de dood bestraft”.
    Paape draaide er geen doekjes om. “Men heeft een menigte hoge en lage officieren afgezet omdat zij er niet voldoende voor gezorgd hadden deze oorlogsgruwel te voorkomen. Honderden soldaten heeft men voor de kop geschoten omdat zij geplunderd hadden – tot op de dag van vandaag”.
    De legerleiding stond bovendien open voor klachten. “Elke burger die een plunderaar of geweldenaar kan aanwijzen kan er verzekerd van zijn dat het recht stipt zal worden toegepast”.
In het gedrukte dagboek legde de patriot uit wie de plunderaars waren.
    “Het betreft troepen die vooruit gezonden worden naar plaatsen die de vijanden al verlaten hebben. Sommigen van hen zijn volslagen guiten en rovers en ze worden ook als zodanig gestraft zodra men hen aanwijst. Deze schandvlekken van de Franse natie hebben zeker gruwelijke wandaden gepleegd”.
    Volgens Paape wist ‘het gebroedsel’ wat hun te wachten stond als ze betrapt werden. Maar vaak durfde men hen niet aan te brengen.
    De journalist legde uit hoe het soms toeging. “De meeste gehuchten en dorpen waar de Fransen doortrekken lijken verlaten. De huizen zijn op slot. Een Frans soldaat, hongerig en dorstig, klopt bij een huis aan. Men doet niet open of smijt de deur dicht voor de man die niets anders doet dan beleefd vragen om een teug water of een stuk droog brood.
    Hij klopt andermaal.
    Men hoort hem niet.
    Tenslotte wordt hij boos, breekt met geweld het huis binnen en neemt water en brood.
    Men scheldt of tergt hem.
    Hij wreekt zich op een baldadige manier”.
.  
.
Paape verdedigt optreden van het Franse leger
.
.
Er waren nog meer problemen. De Nederland binnen vallende soldaten spraken een onbekende taal. “Men kan elkaar niet verstaan”.
    Dat was nog niet alles. “In de meeste dorpen van de generaliteitslanden [Noord-Brabant] liepen de autoriteiten weg. Overal waar Fransen kwamen sloegen de presidenten, stedehouders, secretarissen en dat soort mensen op de vlucht. In plaats van te zorgen voor de veiligheid van de burgers, die immers aan hun gezag waren toevertrouwd, lieten zij het roer uit handen glippen in de storm van de oorlog. De weerloze burgers – bevreesd, verlegen, radeloos en regeringloos - moesten zich zelf maar zien te redden”.
    Paape vergeleek hen met een kudde schapen die – zonder herder – werd aangevallen.
.
De assistent van Daendels stelde het nogal gemakkelijk voor. Als het Franse leger bij een dorp arriveerde kwam er een order om een hoeveelheid haver, stro, hooi enzovoort af te staan. Een afgevaardigde van het leger vroeg naar de regering, zoals hij het noemde. Maar meestal vond hij er niemand dan eenvoudige boeren, die niet wisten dat ze om een kwitantie konden vragen. “De Franse natie zou zeker betalen”.
    Soms vroeg het leger in een dorp meer dan men kon leveren, moest hij toegeven. “Maar de Franse natie vergt geen onmogelijkheden”. Voor alles was volgens hem een oplossing, wist hij uit ervaring. “Alles steunt op eigen ondervinding en kan met de overtuigendste bewijzen gestaafd worden”.    
.
.
Voorbeelden van goede Franse soldaten
.
.
De verslaggever onderbouwde zijn betoog met enkele voorbeelden.
    “Niet ver van Biest had een soldaat bij een arme boer enige baldadigheden gepleegd. Toen hij zich aan dit wanbedrijf schuldig maakte was hij dronken en met slecht gezelschap opgescheept.
    De volgende dag herinnerden zijn makkers hem vrolijk wat er gebeurd was.
    Hij zweeg, peinsde enige ogenblikken en zodra hij de gelegenheid had ging hij naar de boer die hij ongelukkig gemaakt had. ‘Mijn vriend,’ zei hij tegen de man, ‘gisteren had ik het ongeluk om te vergeten dat ik een mens was en u schade heb toegebracht. Nu ben ik weer tot mezelf gekomen. Zeg mij wat voor verlies ik u veroorzaakt heb’.
    Met behulp van een tolk begrootte de boer de opgelopen schade.
    De soldaat tastte in zijn zak en betaalde hem het dubbele. ‘Ik leg mezelf een extra boete op omdat ik de Franse natie geschandvlekt heb’”, zou hij verklaard hebben.
.  
Paape gaf nóg een voorbeeld. “In Bavel [bij Breda] ben ik er zelf ooggetuige van geweest. Een soldaat kwam bij een arme boerenhut. De boerin beduidde hij dat hij brood moest hebben om te eten.
    Omdat zij niet met hem spreken kon bracht zij hem naar een lege broodkast.
    Hij schudde het hoofd en beduidde haar dat hij water wilde hebben om te drinken.
    Zij bracht hem naar de put en toonde hem dat die leeg was.
    In vervoering riep de soldaat uit: ‘Deze lieden zijn honderd maal ongelukkiger dan ik ben’. Meteen tastte hij in zijn zak en stopte de boerin een stuk geld in de hand en vertrok zo snel mogelijk”.
Paape vatte het Franse optreden, terecht of niet, samen met: “Soortgelijke gevallen zou men tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen”.
.
.
Verblijf in Sint Oedenrode
.
.
11 4 gedicht
.
Terwijl Gerrit Paape in Sint Oedenrode achterbleef trok het Noorderleger op naar Den Bosch. Het hoofdkwartier bevond zich voorlopig in Aarle. “De vijanden zijn over de Maas gevlucht. De generaal [Daendels dus] heeft een rijkelijk aandeel in het dappere gedrag van de Fransen”.
    De auteur van het reisboek zag er een aanleiding in om alvast een heldendicht op te nemen ter gelegenheid van de tweeëndertigste verjaardag van de Hattemer (op 21 oktober 1794):
    “De held die voor zijn vaderland zijn goed en bloed durft wagen. Die met het wrekend staal der vrijheid in de hand, ’s lands vijand ziet verslagen. De held die op zo’n zware post blijft waken zonder wijken. Die of met glorie sneeft, of roemrijk afgelost de ware held doet blijken. Die held moet Daendels wezen, die zoveel krijgsbeleid aan vrijheidsliefde paart, en elke tiran doet vrezen.
    Leef lang, o held, uw land ten nut! Doe vrijheid zegepralen. Zo gij haar glorie zijt, haar voor geweld beschut, dan zal haar zoetst genot u kronen en betalen”.
.
.
Veilig in Empel aan de Diest beland
.
.
Op 7 oktober 1794, veertien dagen vóór de verjaardag van generaal Daendels, vertrouwde Paape opnieuw een en ander aan het papier toe. Op dat moment bevond hij zich in Empel ten noordoosten van de vestingstad Den Bosch, dichtbij de grens met de provincie Holland. “Daar ligt het dorp Engelen. Ik heb reeds op die grond, vanwaar ik voor eeuwig verbannen ben, gewandeld. Van mijn genoegens en aandoeningen kunt u zich gemakkelijk een denkbeeld vormen”, werd later in het reisboek afgedrukt.
    Vanuit Boxtel was hij op 26 september in noordelijke richting vertrokken nadat de Fransen begonnen waren Den Bosch te belegeren. “Wij moesten dus een vrij grote omweg maken om hier te Empel aan de Diest te komen. We reden derhalve over Michielsgestel, de Middelrooise brug, Rosmalen enzovoort.
.
Onderweg had Paape het oorlogsgeweld zelf meegemaakt. De Fransen hadden de Orteschans al in bezit genomen. Vanuit de stad werd er hevig geschoten toen hij er een dijk passeerde – te voet.  “De kogels vlogen mij om de oren. Op nog geen vijf en twintig stappen van me viel een zwaar projectiel met vervloekt geweld en uitbarsting neer”.
    Paape legde uit: “Ons karretje kon niet anders dan boven op de dijk rijden. Gelukkig kwamen mijn voerman en ik een weinig boven Orte behouden aan. Hier dronken wij eens helder op de geslaagde overkomst. Zonder stoornis zetten we de reis voort naar het hoofdkwartier, te Empel aan de Diest.
.
.
Verslag van de overgave van Den Bosch
.
.
11 5 belegering Den Bosch
 belegering van Den Bosch
.
.
In zijn tekst van 7 oktober is te lezen dat de Fransen fort Crevecoeur op 29 september ingenomen hadden. Maar het geweld was nog lang niet afgelopen. “Het gedonder uit de stad is hevig, vooral ’s nachts. Vanuit mijn kamer kan ik een goed gedeelte van de belegering zien. In het donker is het werpen van bommen en andere projectielen een schilderachtig gezicht”. Maar ‘troostrijk voor de menslievendheid’ vond hij het niet. Op diverse plekken was brand uitgebroken.
.
In Empel was Daendels weer eens in gevaar geweest. “Twee dagen geleden werd er in alle vroegte geweldig op mijn deur geklopt en op mijn vensters geslagen.
    Ik sprong uit bed en vernam dat de vijand een uitval uit de stad deed in onze richting. De onvergeeflijke zorgeloosheid van de Fransen was er de oorzaak van. Menige Franse soldaat was niet op zijn post gebleven maar in een huis gaan slapen. Waarschijnlijk was men daar in de stad van op de hoogte door een overgelopen militair”.
    Evenals in Bavel liep het goed af. “Onze generaal vloog als de bliksem naar de uitvallers, die schielijk in hun hol kropen. Er vielen twee of drie doden. Anderen raakten gewond of werden gevangen genomen. Vanuit mijn venster kon ik gedeeltelijk zien wat zich buiten afspeelde”.
    Het einde van de strijd naderde, dat was op 7 oktober duidelijk aan het worden. “Gisteren vertrok er een trompetter naar de stad met een brief. Men wilde de trompetter niet binnen laten. Hij hield de brief bij zich en de belegering werd voortgezet. Maar gisteravond is men overeengekomen om voor enige uren een wapenstilstand te sluiten om te onderzoeken of men het over de overgave eens kon worden”.
    Paape: “Onze ijverige generaal is vol vuur. Wanneer het lot van hem afhangt is ons vaderland binnenkort niet alleen vrij maar ook gelukkig”.
.
Vanuit Empel volgde het ene verslag na het andere. “Ik schreef dat men een stilstand van wapenen had aangedaan. Men bracht het toen zover dat de zaak klaar was, op het tekenen van de voorwaarden na. Maar de onderhandelaars van Den Bosch braken hun gegeven woord. Dus gaat de belegering voort. Het fort St. Andries is door de Fransen overmeesterd. De overtocht over de Maas is op die plek al begonnen”.
    Weldra was de stad definitief in Franse handen. Holland lag open, of om met de woorden van Paape te spreken: “De macht der Fransen heeft de deur voor de vrijheid geopend”.
.
.
Bezoek aan Den Bosch
.
.
11 6 paspoort
paspoort van Gerrit Paape
.
.
Daendels had intussen besloten zijn assistent in Den Bosch achter te laten. Aan diens reis vanuit Duinkerken en Oostende was een einde gekomen.
    Paape: “Zodra de stad zich had overgegeven wandelde ik er van mijn verblijf te Empel heen. Maar ondanks mijn paspoort mocht ik er nog niet in. Daarom bekeek ik de vestingwerken die de Fransen om de stad gemaakt hadden, iets waar ik geen verstand van heb. Het waren niet meer dan wat hopen aarde, die de soldaten ‘batterijen’ noemden.
    Paape inspecteerde bovendien beschadigde huizen buiten de stadsmuren. “Men had de bewoners de verzekering van schadevergoeding gegeven. Mijn Fransjes zwoeren dat schadevergoeding niet meer dan billijk was”.
    De Fransen die Paape tijdens de inspectie ontmoette waren ontzettend blij met de overwinning. Ze beschouwden Den Bosch nu als hun eigendom. En dat was te begrijpen, legde hij uit. “De meeste belegeraars zijn maanden in het veld geweest. Ze hebben rondgezworven in oorden waar weinig of niets te bekomen was, waar de vijanden alles geplunderd en vernield hadden. Hun kleren waren versleten. Vaak hadden ze honger moeten lijden”.
    Den Bosch werd door de soldaten gezien als het ‘land van de belofte’: “De Fransen hebben gebruik gemaakt van de eerste levensbehoeften die zij hier vonden. Zij verdrongen elkaar in de winkels, die binnen enkele dagen zo goed als leeg waren. Betaald werd met Franse assignaten [van weinig waarde]”.
.
Bij een volgende gelegenheid deed Paape verslag vanuit de ingenomen stad. “Het eerste gezicht dat mij trof waren de beschadigde huizen, die soms met kogels doorboord waren, de daken weggeslagen, het glas verbrijzeld – een schrikbarend vertoon”.
    Voor sommige burgers was de belegering meegevallen. “De gegoeden hadden zich in kelders en onder gewelven schuil gehouden. Ze bekenden mij het beter gehad te hebben dan zij zich ooit hadden durven voorstellen”.
    Maar niet voor iedereen was het goed afgelopen. “Veel minvermogenden hadden geen schuilplaatsen. Ze moesten de projectielen afwachten op alle plaatsen waar de Franse ze smeten en God ze wilde laten vallen.
    Ik vroeg een arme vrouw, met vier of vijf kinderen, waar zij zich gedurende het bombardement verscholen had.
    ‘Hier in mijn huisje’, antwoordde zij”. Vertrouwen in God had haar gered. ‘Wat door God bewaard wordt, is wel bewaard’, met dat soort woorden leidde ze de assistent van Daendels rond, die met eigen ogen vaststelde; “Om het huisje heen zag ik een menigte puinhopen”.
.
    Evenals eerder in zijn reisboek wist Gerrit Paape door middel van voorbeelden een mooi beeld te geven van de feitelijke situatie, althans vanuit zijn perspectief.
.
.
11 7 Noorderleger trekt Nederlandse rivier over
Franse troepen trekken verder Nederland in (over de Bommel)
.
.
Wat niet in het reisverslag te vinden is
.
.
Geen enkele rapportage kan kompleet zijn. Bovendien is het in een reisverslag mogelijk fictie aan de feiten toe te voegen. Niemand kan het later controleren. Daarom enkele opmerkingen uit boeken die over de reis van Daendels en Paape gepubliceerd zijn.
    In zijn biografie van Daendels liet Paul van ’t Veer, journalist evenals Paape, de generaal als hoogste leider van het Franse leger optreden bij de succesvolle belegering van Den Bosch. “Daendels kreeg opdracht de belangrijke vesting Den Bosch te veroveren”, aldus van ’t Veer.
    In het gedegen proefschrift van Isidore Mendels, over het leven van Daendels vóór zijn vertrek naar Oost-Indië in 1807, is veel te lezen over de onderhandelingen in 1794 tussen de in Nederland woonachtige patriotten, Daendels, en de Franse autoriteiten. Tijdens zijn verblijf in Antwerpen ontving de generaal bijvoorbeeld de afgezanten Gogel en Van Irhoven van Dam. Namens de thuis-patriotten moesten de volksvertegenwoordigers overtuigd worden zo snel mogelijk de Nederlandse grenzen te overschrijden. “Tevens moesten zij door onderhandelingen verkrijgen dat Holland [na de inname] als een vrije staat zou bejegend worden”.
     In Holland zelf werd veel gepraat, maar weinig gehandeld. Daendels moest het opknappen. Terwijl Paape zich in België ophield en erover zweeg reisde Daendels eind augustus naar Parijs om de zaak van de patriotten bij de hoogste autoriteiten te bepleiten.
    “Op 1 september kwam hij terug met de heugelijke en zo lang gewenste tijding dat de orders tot het voortrukken gegeven waren. Hierop ontving Daendels de schriftelijke verklaring van LaCombe dat Pichegru gelast was naar Breda op te rukken en daarna de Maas [richting Holland] over te trekken”. LaCombe gaf Daendels zelfs de tekst van een proclamatie waarbij het ‘revolutionair bewind in Amsterdam als voorlopige regering werd erkend en als vriend en bondgenoot van de Franse Republiek werd beschouwd’.
    Na de inname van Den Bosch publiceerde Daendels op zijn 32ste verjaardag een manifest, dat volgens Joost Rosendaal, auteur van zijn boek over de naar Frankrijk gevluchte Bataven, ‘naar alle waarschijnlijkheid door Paape geschreven werd’. In diens reisboek is er evenwel geen woord over te vinden.
    In het manifest benadrukte Daendels voor de zoveelste keer hoe belangrijk het was een revolutie van binnenuit te laten plaatsvinden. Met name in Antwerpen hadden de generaal en assistent Paape zelf kunnen constateren hoe de Fransen de buitgemaakte rijkdom naar Parijs overbrachten en de overwonnen hun republikeinse regime oplegden. Daendels was enerzijds een vriend van de Fransen, een generaal in het Franse leger, maar ook een Nederlandse patriot.
    (Hoe het toeging na zijn proclamatie is hier te lezen).
.
.
Harry Knipschild
10 mei 2019
.
.
11 8 Bataven
.
Literatuur
.
Gerrit Paape, Republikeinsch speelreisje van Vrankrijk naar Holland, Den Bosch 1795
Isidore Mendels, Herman Willem Daendels vóór zijne benoeming tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1762-1807), Den Haag 1890
Paul van ’t Veer, Daendels. Maarschalk van Holland, Bussum 1983
Joost Rosendaal, ‘Bevrijding!’, in Bataven!, Nijmegen 2003, 443
  • Hits: 11590

10 Gerrit Paape met Daendels van Oostende naar Den Bosch in 1794

1 1 Daendels
 
 
In het najaar van 1787 stuurde Frederik Willem II van Pruisen (r. 1786-1797), opvolger van Frederik de Grote (r. 1740-1786) een leger naar Nederland om zijn zus Wilhelmina, getrouwd met stadhouder Willem V, samen met haar echtgenoot weer aan de macht te brengen.
    De patriotten, die zich in de periode ervoor tegen het optreden van de stadhouder en Wilhelmina verzet hadden, onder andere in Goejanverwellesluis (28 juni 1787), vluchtten uit lijfsbehoud het land uit. Velen van hen kwam in het noordwesten van Frankrijk terecht. Natuurlijk droomden ze ervan eens terug te keren en alsnog hun idealen te kunnen verwezenlijken.
    Herman Willem Daendels, 25 jaar, en zijn jonge bruid Aleida hoorden tot de groep politieke allochtonen aan wie door de Franse koning Lodewijk XVI asiel verleend werd.
 
 
10 1 Goejanverwellesluis 
Goejanverwellesluis, schoolplaat
 
 
Ondanks de prominente rol die Daendels in Nederland speelde, onder andere in zijn geboortestad Hattem in 1786, viel hij aanvankelijk niet op tussen de duizenden vluchtelingen. De eerste jaren trad hij zeker niet naar voren als een van de leidende figuren.
    In die situatie kwam verandering na het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789. De Franse koning moest allerlei vernederingen ondergaan. Op 21 januari 1793 kwam Lodewijk XVI zelfs onder guillotine evenals zijn echtgenote, Marie-Antoinette van Oostenrijk, later dat jaar. Door die ontwikkeling raakte Frankrijk in oorlog met onder meer de vorsten van Groot-Brittanië, Oostenrijk en Pruisen.
    In het uitdijende en strijdende Franse leger kon je carrière maken. Daendels, die al eerder een Bataafs vreemdelingenlegioen had opgezet, was een van de vele ambitieuze jongemannen die in zekere zin profiteerden van de ontwikkelingen in die tijd.
 
 
Joost Rosendaal doet verslag
 
 
In zijn boek Bataven! (2003, over de vluchtelingen in Frankrijk vanaf 1787) deed Joost Rosendaal onder de titel ‘Bevrijding’ verslag van de ontwikkelingen in 1793-1795.
    Na het verraad van de Franse generaal en markies Charles Dumouriez, die naar de vijand over liep, was bij de Franse overheid het vertrouwen in het traditionele leger grotendeels verdwenen, legde Rosendaal vast. “Vanaf zomer 1793 werd het officierencorps gezuiverd van aristocratische elementen. De veranderingen boden nieuwe kansen voor de burgersoldaten van het Bataafse legioen. Nieuwe officieren dienden bezield te zijn van radicaal-revolutionaire opvattingen, leiderscapaciteiten te hebben en heldhaftig gedrag te tonen”.
    Rosendaal: “Daendels, op dat moment luitenant-kolonel, paste precies in deze profielschets”. De Hattemer onderscheidde zich met name half september 1793 tijdens conflicten op de grens van Frankrijk en België, de Oostenrijkse Nederlanden. Zijn dappere gedrag bleef niet onopgemerkt.
    Bovendien timmerde Herman Willem op andere manieren aan de weg. Hij trok journalisten als Jan Hespe en Gerrit Paape aan als secretaris, zodat ze hem in hun publicaties in het zonnetje zouden zetten. Daendels onderhield tevens goede contacten met vertegenwoordigers van de Franse overheid bij het leger en zijn superieuren, die hij steeds van nieuwe ideeën voorzag.
    Als gevolg daarvan werd de Nederlander in april 1794 formeel bevorderd tot brigade-generaal in het Franse leger. Door die nieuwe rol nam hij voortaan een vooraanstaande positie in onder de vluchtelingen, zeker ook omdat de Franse overheid, het Comité de Salut Public, na de overwinning in de slag bij Fleurus (26 juni 1794) het Noorderleger liet oprukken richting Nederland.
 
 
Gerrit Paape vertrekt uit Duinkerken
 
 
10 2 Gerrit Paape
 
In de zomer van 1794 kwam Gerrit Paape, 42 jaar, in actie. Zijn daden vanaf eind juli legde de Delftse vluchteling en auteur vast in een publicatie die hij Republikeins speelreisje van Vrankrijk naar Holland noemde. Hij omschreef zich als een burger die door een Franse volksrepresentant bij het leger opgedragen was om met het hoofdkwartier van generaal Daendels mee te trekken. Een interessant document in dagboekvorm, op basis waarvan dit artikel geschreven is. Het geeft een mooi en persoonlijk inkijkje in hoe het er (volgens hem) toeging.
    Op de titelpagina van het boek, dat in 1795 uitgegeven werd, was in hoofdletters te lezen: “Vrijheid - evengelijkheid”.
 
Op 27 juli (9 thermidor, de dag dat Robespierre ten val kwam) bevonden Paape en Daendels zich in de Franse stad Duinkerken. “Ik weet” noteerde Paape die dag, “dat de Fransen voornemens zijn op Holland aan te trekken”. Er stond iets groots te gebeuren, besefte hij. “De vaderlandsliefde heeft bij mij haar kracht niet verloren. Het vrijheidsvuur brandt sterk in mijn boezem”.
    Daendels prees hij de hemel in. Paape noemde hem de ‘dappere verdediger der Franse republiek’ en de ‘ijverige vrijheidszoon’. Daendels had volgens hem niet zomaar carrière gemaakt. “De Fransen hebben zijn bekwaamheden slechts recht laten wedervaren”. Van vriendjespolitiek was geen sprake geweest.
    Een week later werd Paape door volksrepresentant La Combe Michel gevraagd zich te melden in Oostende, waar de Nederlandse generaal zijn hoofdkwartier had: “Ik ben opgeëist”, werd in het boek afgedrukt.   
 
Paape reageerde uiterst positief. “Aangenaam bevel! Geroepen om mijn verdrukt vaderland te zien herstellen, om er als een van de eersten na een zevenjarige afwezigheid zegevierend binnen te treden en mijn bloedverwanten en vrienden te omhelzen”.
    Het was een emotioneel moment. “Ik smeet mijn pen neer en pakte mijn schrijfspullen bij elkaar. Tranen van onbeschrijflijk genoegen sprongen mij uit de ogen”. Zo snel mogelijk vertrok hij uit Duinkerken, met achterlaten van vrouw en zoon. Maar: “Mijn ogen schoten vol”.
 
 
Naar Daendels in Oostende
 
 
Paape reisde per koets. Vanuit het rijtuig nam hij waar hoe de omgeving van Duinkerken verwoest was door een belegering. “Het was een treurtoneel. Ik zag niets meer dan puinhopen, omgewroete velden, afgekapte boomstruiken en onkenbaar geworden paden. De vernieling had haar akelige voetstappen achtergelaten. Een doodse stilte verbleef er. De gehuchten en dorpen, die ik vervolgens door reed, leverden nog veel akeliger gezichten op. De wrede oorlog had er al zijn kunst en woede aan verkwist”.
    Het gebied tot aan Oostende was sinds enige tijd in Franse handen. Paape kon er dus rustig doorheen trekken. Hij moest evenwel constateren: “Ik kon niet bespeuren dat men er zeer Frans gezind was. In deze [Belgische] oorden vond men de grootste vrienden van de [Oostenrijkse] keizer [tot voor kort staatshoofd in België]”.
 
Paape maakte onderweg hartverscheurende taferelen mee. Hij gaf er een voorbeeld van. “Ik vond een huilende boer bij zijn verbrande schuur en doorgeschoten huis zitten. Zijn zoon was doodgeschoten. Zijn vrouw was van de schrik gestorven. Al zijn huisraad was geplunderd. Zijn akkers waren verdronken [onder water gezet]. Niets was hem overgebleven dan het schamel pakje dat hij aanhad.
    De eenvoudige hals verzekerde mij plechtig dat hij niet wist waarom hem dat dit alles was overkomen. Voor God en Maria kon hij betuigen er nooit aanleiding toe gegeven te hebben”.
    Paape kreeg medelijden. “Ik tastte in mijn zak en vertroostte hem zo goed mij mogelijk was”.
      
Via Nieuwpoort reisde de patriot verder. De weg was lang, zeer lang. Het werd dan ook laat. “Onze paarden liepen hoe langer hoe trager. De koetsier verklaarde dat hij de weg niet meer wist en een gids moest hebben.
    We zochten overal. Eindelijk bespeurden we een lichtje in een hutje, dat nog voor de helft overeind stond. Wij klopten.
    Een man, half naakt, kwam sidderend tevoorschijn.
    Met veel goede woorden en een beloning haalden wij hem over ons de weg te wijzen”.
 
Het was al middernacht toen de koets de Belgische kust bereikte. Vanaf die plek en over het strand zouden ze hopelijk Oostende bereiken. “Wij gingen in onze koets zitten en rolden even statig voort als de stil kabbelende golfjes. Ik viel in slaap. Maar het duurde niet lang of ik werd wakker gemaakt door een harde schok. De koets was in een greppel gereden. De doodvermoeide paarden hadden niet de minste lust om de koets eruit te trekken”.
    Iedereen in de koets hielp mee – door te duwen en te trekken. Maar vergeefs. “Het water begon te wassen. De koetsier werd wanhopig. Zijn bezit dreigde ten gronde te gaan”.
    Paape besloot dan maar verder naar Oostende te lopen, mede om daar hulp te gaan halen. Van eten en drinken was die dag weinig of niets gekomen en hij had ook niets bij zich. “Nooit viel een weg mij langer en nimmer was ik vermoeider. Ik was ervan overtuigd dat ik hier mijn graf zou vinden”.
    De stadspoort van Oostende was gesloten. Het duurde een uur voor Paape binnen gelaten werd. “Bij de schildwachten buiten de poort vroeg ik vergeefs om een teug water. Eenmaal binnen deed ik een zalige dronk uit een smerig tonnetje met zeer slecht water”. Paape had meer dan dorst.
    Het duurde nog een hele tijd voor de Nederlander bij het militaire hoofdkwartier aankwam. “Een vriend bezorgde mij eerst een glas brandewijn en vervolgens een goed logement”. Hulp vanuit Oostende wist bovendien de koetsier uit zijn benarde positie te redden, liet hij niet na te vermelden.
 
 
10 3 boek Paape
 titelpagina boek Paape
 
 
Hereniging met Daendels in Oostende
 
 
Na het wakker worden had Paape een onderhoud met Daendels, die verveeld wachtte op het definitieve optrekken van het Franse leger. “De generaal is vol vuur en ijver. Hij zal de belangen van de Franse republiek en die van zijn vaderland op de beste manier bevorderen. Als het aan hem lag waren wij weldra in een behouden en vrij vaderland. Hij laat de moed echter niet zakken. Daendels is een man die alle zwarigheden weet te overwinnen. Frankrijk en Nederland hebben de grootste verplichting aan hem”.
    Wat kon de journalist anders doen dan wat rondlopen. In de haven zag hij tal van transportschepen die door fregatten beschermd werden. Engelse oorlogsschepen lagen op de loer. Af en toe werd er geschoten.
    Heel wat huizen van handelaren stonden leeg. “De voornaamste kooplieden hebben de vlucht genomen met alles wat zij bergen konden. Hun verlaten huizen worden thans bewoond door Franse officieren. Aan het huis van elke emigrant hangt een kleine vlag zodat men die woningen herkennen kan”.
    Volgens Paape gedroegen de Franse troepen zich voorbeeldig. “Ze zorgen voor beveiliging en bescherming. Kwaaddoeners worden gestraft. De godsdienst wordt tegen alle overlast beschermd. Overal hoorde ik hoe bescheiden en bedaard de Franse soldaten zich gedroegen”.
 
 
Ontmoeting met LaCombe Saint-Michel
 
 
In zijn verslag maakte Paape geen melding van de onderhandelingen met afgezanten uit Nederland. Ook komt de naam Pichegru, die de leiding had over het Franse noordelijke leger, niet in zijn tekst voor.
    Wel wijdde hij diverse regels aan een uitstapje dat Daendels en hij op 9 augustus vanuit Oostende naar Brugge maakten voor een ontmoeting met Jean-Pierre LaCombe Saint-Michel (1753-1812), die namens Parijs de supervisie had over de militaire activiteiten van het leger. “De representant is een zeer vriendelijk man, die er schrander uitziet. Hij is ons vaderland zeer genegen”, aldus Paape. Het lot van Nederland leek bij hem in goede handen te zijn.
    Daendels en Paape werden bij LaCombe zelfs aan de dis uitgenodigd. “Hij hield ons bij zich te eten. Zijn vrouw en dochter – en diverse generaals – zaten mede aan”. Het leek wel een vriendenkring, waarin iedereen gelijk was. “Alles ging familiair en ordelijk aan het werk. Men had eerbied voor elkaar. De gesprekken waren vrij en ongedwongen. Iedereen werd met ‘burger’ aangesproken”. Dat maakte de omgang gemakkelijk: “Men hoeft geen nauwkeurig onderzoek naar ieders rang en titel te doen om te voorkomen dat men zich vergist bij het aanspreken en betitelen”.
    Paape uitte zich bovendien positief over de tafelmanieren der Fransen. “Iedereen drinkt en eet wat hij wil. Zonder de minste complimenten te maken gaat hij zitten. Zonder afscheid van zijn gastheer te nemen verlaat hij de tafel. Men dwingt hem niet langer te blijven of meer te gebruiken dan hem goeddunkt”.
    Eenmaal terug in Oostende zette hij op papier: “Een vertegenwoordiger van het Franse volk [La-Combe Saint-Michel] is redelijk makkelijk te benaderen en te spreken. Dat is de zegen van de Franse revolutie. Die stelt alle mensen in waarden en rechten gelijk”, legde Paape uit.
    Maar een representant, die door wezenlijke verdiensten tot die belangrijke functie geroepen was, liet niet met zich sollen. “Van zijn lippen spreekt de wet en laat de volkswil zich horen. Wee hem die hier tegen indruist”.  
 
 
10 4 LaCombe Saint Michel
 LaCombe Saint-Michel
 
 
Antwerpen (eind augustus 1794)
 
 
Terwijl Franse troepen bezig waren met de belegering van de Zeeuwse grens- en vestingstad Sluis reisden Daendels en Paape door de voormalige Oostenrijkse Nederlanden naar Antwerpen. Het onderweg verversen van paarden kostte opvallend veel tijd. Steeds werd hen verteld dat er geen dieren beschikbaar waren, terwijl dat bij nader onderzoek wel degelijk het geval was. Door de houding van de postmeesters was er steeds vertraging. Alleen in Sint Niklaas ging het wisselen van paarden snel. “De postmeester was waarschijnlijk een patriot”.
    Achteraf kwam Paape tot de conclusie dat de vertraging wellicht opzet geweest was. “Als we in Sint Niklaas een paar uur langer hadden moeten blijven, waren generaal Daendels en ik krijgsgevangen gemaakt. Immers, kort na ons vertrek verscheen aldaar een vijandelijke patrouille van ruim tweehonderd manschappen uit het nabij gelegen Hulst [in Zeeuws Vlaanderen] met het oogmerk ons op te pakken”.
    Paape voegde eraan toe: “Hoe zouden onze vijanden [aanhangers van stadhouder Willem V] gelachen hebben als we in hun handen gevallen waren!”
 
 
10 5 Antwerpen 1794 07 17
 Overgave Antwerpen aan de Fransen, juli 1794
 
Toen Paape in de verte Antwerpen zag liggen schoten de tranen hem in de ogen, schreef hij althans. Als vluchteling in 1787 was hij er zo slecht en met zoveel minachting behandeld door de machthebbers van katholieke huize, dat er voor hem na verloop van tijd niets anders opzat dan verder naar Noord-Frankrijk te vertrekken.
   Nu, onder bescherming van Frankrijk, kon hij wraak nemen. De Antwerpenaren die hem verjaagd hadden ‘bespeurden dat ik in Franse dienst was. Ze gedroegen zich vriendelijk en deden alsof ze zich de gebeurtenissen van 1789 niet meer konden herinneren’.
    In Antwerpen had Paape flinke kritiek op de houding van de Fransen. Niet alleen had men aan de veroveraars een flink bedrag moeten betalen (op te brengen door de geestelijken, adel en rijkste ingezetenen), bovendien was er flink geplunderd. De beste schilderijen en sieraden waren vanuit kerken en kloosters weg genomen en naar Parijs overgebracht. Muren en altaren waren helemaal kaal. Om nooit te vergeten!
    Vanuit Antwerpen reisden Daendels en Paape naar Mechelen, het Franse hoofdkwartier op dat moment. De dokter die hen er onderdak moest verlenen was niet blij met hun komst. Dat veranderde toen de Frans-Nederlandse gasten uitpakten. Ze hadden Hollandse haring en Antwerpse punch voor hem meegenomen. Blijkbaar ontbrak het de Franse bezetters niet aan dat soort voorzieningen.
 
Terug in Antwerpen kwamen Daendels en Paape in een feest terecht dat de binnengevallen militairen de bewoners van de stad hadden opgedrongen. Ter gelegenheid van de inname van Sluis (25 augustus) en Valenciennes een paar dagen later werd het centrum in het licht gezet.
   Volgens Paape was er tegelijkertijd vrolijkheid (bij de Fransen en hun aanhangers) en droefheid. De inwoners, die het onderspit hadden moeten delven, ergerden zich eraan dat de kerkklokken in de stad geluid werden ter ere van de Franse Republiek. Hoe ze de situatie ervaarden bleek kon je aan hun houding afmeten. “De meeste huizen waren met een enkel kaarsje verlicht. Hele straten waren donker. Op straat vond men nergens mensen om naar de illuminatie te kijken”.
 
Terwijl er feest gevierd werd had Daendels volgens Paape andere zaken aan zijn hoofd. Hij was in de weer met het verder oprukken van het Franse leger. “Onze brave [dappere] generaal houdt niet op met de grote zaak [de reconquista van Nederland] door te zetten. Niemand kan vuriger, ijveriger en werkzamer wezen dan hij is”.
    Daendels was een stuk actiever dan de andere patriotten, vond Paape. Wellicht doelde hij op de patriotten en hun aanhangers in Nederland die veel praatten, steeds afgezanten stuurden, maar in eigen land geen wapens ter hand namen om het land van binnenuit te bevrijden. “Was iedereen maar zoals Daendels - iedereen die verantwoordelijk is voor de belangen en de eer van de Franse en Nederlandse republieken. Dan zouden wij reeds aan een zegevierend en gelukkig einde zijn”, schreef Gerrit Paape op 29 augustus 1794.  
 
 
10 6 tekst Paape
 stukje tekst uit boek van Paape
 
 
Verslag uit een klooster voor de Belgisch-Nederlandse grens
 
 
Op 6 september liet Paape weer van zich horen, twee dagen na het vertrek uit Antwerpen. Op dat moment logeerde hij een in klooster van Kapucijnen in Meersel, op korte afstand van de grens met Nederland, bij Breda. De journalist had geen hoge dunk van de meeste katholieken en al helemaal niet van geestelijken.  
    Paape draaide er geen doekjes om. “Zodra ik in het donker de poort binnenstapte viel die vervloekte Kapucijnen-reuk mij als een steen op het hart. Weg was al mijn vrolijkheid. Ik en de generaal betrokken een bovenkamer. We sliepen elk in een Kapucijnenbak, op iets dat men bedden noemde maar dat verschrikkelijk hard en ongemakkelijk was. Telkens werd ik wakker door die onverdragelijke reuk, die onafscheidelijk schijnt te zijn aan dit geestelijk gebroedsel.
    De generaal, die nooit klaagt en opgewassen is tegen alle ongemak, rook het ook. Hij liet een groot vuur maken waardoor de kloosterlucht enigszins verdreven werd”.
    Vier dagen later bevond hij zich nog steeds in die onaangename omgeving – met uitzicht op het Franse leger, niet ver weg. Dichtbij was de grens met Nederland. “Omtrent drie minuten weg van hier staat een paal die [Belgisch] Brabant van mijn vaderland afscheidt”.
    Een aantal Franse generaals was inmiddels eveneens op deze plek aangekomen. Ze doodden de tijd met vissen. Bij het klooster was een grote vijver. Toen de hoge militairen zich daar wilden nestelen kwam een pater aangelopen. “Hij beduidde dat er in deze vijver geen vis was. Maar hij zou hen naar een plaats brengen waar heel veel te vangen was. Men nam het aan en hij voldeed aan zijn belofte”.
    Niet iedereen ging mee. De achterblijvers ‘gingen in de visloze vijver aan het zoeken. Onder water vonden zij een menigte flessen met de allerbeste wijn’. De geestelijken waren uiteraard niet blij met die vondst.
    “De paters wandelden met betrokken gezichten door de tuin terwijl ze in hun getijden lazen en ons begluurden. Ze hadden vooraf betuigd geen wijn te hebben. Nu verklaarden ze schijnheilig dat ze er geen idee van hadden van wie de wijn was of wie de flessen in de vijver verborgen zou kunnen hebben”.
     De vondst maakte de schrijvende helper van Daendels enigszins vrolijk. “De zon is even opgegaan en het belooft een mooie dag te worden”. Maar niet helemaal. “De zon kan de nevel niet verdrijven die uit de Kapucijnengrond opstijgt en mij allerwegen als een dikke dampkring omgeeft”.
 
 
10 7 Meersel klooster
 
Eerste stappen in het vaderland
 
 
Op 11 september 1794 betrad Gerrit Paape na zeven jaar van zijn eeuwige verbanning weer het Nederlandse grondgebied. Hij reisde die dag in een karretje met een linnen huif er overheen. “Ik ben een patriot”, schreef hij die avond. “Wraakgierige vijanden hebben mij [in 1787] onverdiend en onschuldig verdreven”.
    Zijn tegenstanders, aanhangers van de stadhouder, hadden hem beledigd en veel leed aangedaan. “Toen zij de overhand hadden, toen ik zieltogend in het stof lag, legden zij als barbaren hun verpletterende voet op mijn sidderend hart”.
    Dankzij het oprukkende Franse leger zou hij waarschijnlijk in staat zijn zich eens goed te wreken. Maar als patriot wilde hij zich op een ‘edele wijze’ gedragen. “Met dit voornemen stapte ik de grenspaal voorbij. Mijn tranen droogden op. Mijn ziel was louter rust en genoegen. Wij komen niet om ons te wreken. Voor een rechtschapen vaderlander als ik is het denkbeeld van wraak volstrekt ondragelijk. Wij komen immers om ons vaderland vrij en gelukkig te maken”.
 
Eenmaal de grens over had Paape weldra uitzicht op de toren van Breda. In die stad woonde zijn zus (“als die nog in leven is”).
    De Fransen deden alsof ze Breda zo snel mogelijk wilden innemen. Maar een belegering van die plaats stond niet op de agenda van de buitenlandse troepen. “Dat kon men aldaar niet weten”, zette hij op papier.
    Die eerste avond op vaderlandse bodem was het hoofdkwartier gevestigd in het huis van een gevluchte schoolmeester te Bavel, even ten oosten van Breda. “Hier hoorden wij duidelijk het kanon van de stadswallen dat donderde op de Fransen, die zich in de omtrek legerden”.
    Bij aankomst kon de legerleiding van een goede maaltijd genieten. Er was een prima Franse kok en de voorraadwagen volgde de generaals. Daendels en Paape sliepen die nacht op stro in een bovenkamer. “De bedienden hadden hun stro-bedden te dicht bij het vuur. Een van die bedden vloog tegen middernacht in brand. Iemand wist het brandende stro-bed af te zonderen en onder de schoorsteen te smijten. Die raakte er nog door in de brand, maar ging gelukkig uit”.
    De brand had een einde kunnen maken aan het leven van Herman Willem Daendels. “Boven de school was een zolder waar de meeste officieren sliepen. Van deze zolder kon men niet komen dan langs een smal en moeilijk steektrapje, dat in de brandende school stond. Deze historie kon derhalve lelijk afgelopen zijn”.
    Even was er grote paniek. “Wij konden het vuur niet zien. Maar toen er geschreeuwd werd verbeeldden we ons dat de vijand het hoofdkwartier een bezoek gaf. Dit denkbeeld was erger dan dat van de brand. Want in dat geval waren wij er zeker om koud geweest.
    Gelukkig kwamen wij met de schrik vrij”.
 
Het binnentrekken van Nederland in september 1794 verliep die eerste dag voor Herman Willem Daendels en zijn rechterhand Gerrit Paape niet geruisloos. Als het even anders had gelopen, was Daendels nooit een prominent figuur in de Nederlandse geschiedenis geworden.
 
Wordt vervolgd.
 
Ter wille van de leesbaarheid zijn de citaten bewerkt en hertaald.
 
Harry Knipschild
2 mei 2019
 
Literatuur
 
Joost Rosendaal, ‘Een vrolijke wijsgeer en braaf sansculot. Gerrit Paape in ballingschap (1787-1795)’, De achttiende eeuw, 1997, 61
Joost Rosendaal, ‘Bevrijding!’, in Bataven!, Nijmegen 2003, 443
  • Hits: 11271

6 - Het beleg door de Fransen van Maastricht (1794), deel 2

 1 1 Daendels
 
In het vroege najaar van 1794 sloten de Franse revolutionaire troepen de vesting Maastricht (en Wijk op de oostoever van de Maas) van alle kanten in. Wat kon men daar anders doen dan hopen op hulp van buitenaf? Uit Den Haag in Holland, lijkt, was helemaal niets te verwachten. Maastricht was een (te?) verre buitenpost van het stadhouderlijk bewind. De regenten van de Zeven Provinciën hadden al moeite genoeg om zich in het kerngebied te organiseren tegen de verwachte aanval vanuit het nu vijandige zuiden.
   Alle hoop in Maastricht was gevestigd op de Oostenrijkers, al hadden die België, de voormalige Oostenrijkse Nederlanden, kort daarvoor moeten afstaan aan de Fransen. Binnen de vesting was men nagenoeg van de buitenwereld afgesloten. Het was onduidelijk wat er elders aan de hand was.
   De totale troepenmacht in de stad bestond uit achtduizend man. De Fransen konden het zich permitteren steeds meer soldaten naar Maastricht te sturen. De nog overgebleven geallieerde strijdkrachten verloren verder terrein en trokken zich in oostelijke richting keer op keer verder terug. De verovering van de stad, evenals die van het noordelijker gelegen Den Bosch, was voor de Fransen vanwege de ligging (brug over de Maas) van strategisch belang.
 
 
Bezettingstroepen werken niet mee
 
 
De Oostenrijkse troepen die nog in de stad gelegerd waren stelden zich niet strijdlustig op. Waarom zouden ze dat doen? In de brieven die de gouverneur van Maastricht schreef aan zijn echtgenote – ze had in de zomer al een veiliger plek opgezocht – beklaagde de prins van Hessen-Kassel, door Holland ‘ingehuurd’, zich over het optreden en de houding van de nog aanwezige Oostenrijkse soldaten. Er werd veel alcohol gedronken. Burgers werden gemolesteerd, goederen geroofd. Hun aanvoerders trokken zich met hun bezittingen terug op een zo veilig mogelijke plek.
   De gouverneur deed een beroep op de officieren om in een krijgsraad van gedachten te wisselen en maatregelen te nemen. De Oostenrijkse legerleiding in de stad liet zich verontschuldigen, meldde Jaspar in zijn boek over de geschiedenis van de stad.
 
 
6 1 Prins van Hessen Kassel Maastricht 1787
Prins van Hessen-Kassel (1787)
 
 
Aanvoer van goederen belemmerd
 
 
De omsingeling van de vesting had zijn gevolgen. “De ingesloten stad was verstoken van alle toevoer van levensmiddelen en verversingen – behalve het weinige dat het dorp Sint Pieter, onder de vestingwerken van Maastricht gelegen, kon verschaffen en hetgeen uit de tuinen in de stad gehaald kon worden”.
   De stadsregering was niet helemaal verrast door de gang van zaken. Er waren voorraden voor drie maanden aangelegd. Wat er in magazijnen opgeslagen was kwam evenwel grotendeels ten goede aan de Oostenrijkse en Hollandse bezettingsmacht. Maar ook de ‘in dienst genomen lokale handlangers en andere helpers (‘pionniers’) konden wekelijks op enige verkwikking en een toelage van de eerste noodwendigheden’ rekenen.
   De Vaderlandsche Historie, die nogal wat informatie verstrekte over het gewone leven in de benarde omstandigheden van de Nederlandse Republiek, gaf aan dat de Fransen, die de stad in een houdgreep hielden, de toevoer van steenkolen belette. De voorraad hout in de stad was bovendien gering. “Bij het naderende koude jaargetijde was dat een akelig vooruitzicht”.
   Je kon het niet anders verwachten: “Toenemende schaarsheid deed de prijzen flink stijgen”. [VH 296 e.v.]
 
 
Noodgeld
 
 
Er was nóg een probleem. Niet alleen de echtgenote van de gouverneur, maar ook vele andere gegoede ingezetenen waren met de noorderzon vertrokken bij de aftocht van het keizerlijke leger. Onder hen bevonden zich de bankiers. Er was geen geld meer om het nog aanwezige krijgsvolk te betalen. Misschien dat de Oostenrijkse soldaten zich daarom wel aan de bevolking van de stad vergrepen.
   Volgens de VH was met het vertrek van het keizerlijke leger de krijgskas verwijderd. Uit die kas zouden de soldaten hun salaris behoren te ontvangen. En dat gebeurde dus niet.
 
Prins van Hessen-Kassel deed wat onder de gegeven omstandigheden nog mogelijk was. “Om de heilloze gevolgen van het onbetaald laten van het krijgsvolk te voorkomen vroeg het stadbestuur de ingezetenen het geld waar ze nog over beschikten op te schieten”. Waar nog geld was moest het te voorschijn komen. Bij de kerken viel ook altijd flink wat te halen. “Van de kapittels van zowel de Sint Servaas als dat van de Lieve Vrouwe werden geldsommen geëist”. Alle geld, ‘in de publieke fondsen voorhanden’, werd besteed om de soldaten rustig te houden.
   Iedereen die bereid of gedwongen was zijn geld af te staan ontving uit handen van de gouverneur persoonlijk een schriftelijk bewijs van de ‘opgeschoten som’. De gouverneur gaf de verzekering dat het geld een rente van vier procent zou opleveren. Bovendien zou het aan de gever worden geretourneerd – zodra de omstandigheden het zouden toelaten. De VH meldde niet wat er zou gebeuren als de Nederlandse overheid zijn macht kwam te verliezen. Waarschijnlijk was je je geld dan gewoon kwijt.
   Toch werd ‘geen onaanzienlijke som gelds’ samengebracht. Maar het was niet toereikend genoeg om ‘geruime tijd te voorzien in de veelvuldige benodigdheden’. Er moest meer gebeuren.
 
Om aan betaalmiddelen te komen werd er aanvankelijk aan gedacht om papieren geld in omloop te brengen. De Franse assignaten elders hadden echter weinig vertrouwen gewekt. De urgente omstandigheden vroegen om een andere aanpak. Evenals bij het beleg van de stad in 1579 besloot de stadsregering tot het vervaardigen van een noodmunt.
   Opnieuw moesten de kerken hun rijkdommen ophoesten. “Om het inleveren van het zilverwerk van de roomse kerken en kloosters te bevorderen gaf men behoorlijke schuldbrieven uit”.  Desondanks beantwoordde het extra opgebrachte zilverwerk niet aan de verwachtingen. De ‘buit’ bedroeg niet meer dan 37.082 guldens. Daar moest men het mee doen.
 
 
6 2 noodgeld 100 stuivers
noodgeld, 100 stuivers
 
 
Volgens de VH was het de bedoeling om munten van honderd, vijftig, twintig, tien en vijf stuivers te vervaardigen. De twee eerstgemelde soorten werden dadelijk geslagen en kwamen in omloop. “Op de ene zijde van de noodmunt zag men het wapen [ster] van Maastricht. Bovendien de waarde van het stuk en het jaar 1794. De andere zijde was glad en de rand gekarteld”. [VH 297 e.v.]
 
 
Krijgshandelingen
 
 
De Fransen gingen steeds door met het aanleggen van belegeringswerken. De in Maastricht gelegen militairen probeerden dat natuurlijk te verhinderen. Op 9 oktober 1794 was er een stevige confrontatie. Met een uitval van achthonderd man voet- en paardenvolk, Hollanders en Oostenrijkers, gevolgd door een groot aantal helpers, probeerde men de belegeringswerken neer te halen. Gedeeltelijk lukte dat, ten koste van een aantal slachtoffers.
   Er werd niet veel bereikt: “Het geslechte was weldra hersteld”.
   Wat konden de militairen nog anders doen dat schieten op de belegeraars. Dat deden ze vooral vanuit een fort bij de westelijke stadsmuren. “Uit het fort werd met kogels en houwitsers geweldig geschoten om die arbeid te verhinderen en te vernielen”.
   De Fransen zagen het als hun taak er toe te gaan slaan zodra ze de kans kregen. “De meeste Franse batterijen werden zo aangelegd dat ze op het fort gericht waren. Ongetwijfeld hadden de Fransen het voornemen om juist daar aan te vallen en de stad vanuit die invalshoek ten onder te brengen”.
   De stadsregering wilde het leven van de inwoners en de aanwezige militairen zoveel mogelijk ongestoord laten doorgaan. “Er werd een overdekte weg aangelegd vanaf de Pieterspoort tot aan het fort zodat de mensen niet door de vijand gezien konden worden”.
   De militairen waren niet alleen actief bij de stadswallen en het fort. Ook de rivier moest zoveel mogelijk beschermd worden. “De gouverneur liet ter hoogte van het [zuidelijke] dorp Sint Pieter twee vlotten plaatsen, ieder van een kanon voorzien om ook daar alle ondernemingen van de vijand te verijdelen”. [VH 297 e.v.]
 
 
Intimidatie
 
  
Zoals gezegd wist men binnen de vesting niet of nauwelijks wat zich elders afspeelde. De verdedigers hadden drie weken na de afsluiting het idee dat dat ze hun werk goed gedaan hadden. De vijand, dachten ze, was op 11 en 12 oktober bezig de aanval op te geven. “Een grote beweging in het belegeringsleger, vanaf de wallen waargenomen, deed bij de belegerden het denkbeeld ontstaan dat de vijand zich tot de aftocht gereed maakte”.
   Het tegendeel was het geval. “Weldra bleek dat er juist militairen, met artillerie, wagens en karren uit het hoofdleger gearriveerd waren. Die hadden eerder de troepen van de Oostenrijkse keizer [verder in oostelijke richting] opgejaagd”.
   Een inwoner van Maastricht kreeg van de Fransen de kans de vesting kortstondig te verlaten. Op het Franse hoofdkwartier ving hij nieuws op uit Luik dat Den Bosch zich aan de Fransen had overgegeven. Ook elders zouden de Franse troepen voorspoedig opereren.
 
De volgende dag hoorde het stadsbestuur soortgelijke berichten. “Een Franse officier, vergezeld door een trompetter, meldde zich met een brief bij de gouverneur van de stad. In de brief was te lezen dat het keizerlijke Oostenrijkse leger enige dagen eerder over de Rijn getrokken was”. Het Oostenrijkse hoofdkwartier met bijbehorende troepen zou zich dus niet meer in de Voerstreek, dichtbij, bevinden.
   De Fransen hadden inmiddels een groot gebied tot in de verre omgeving van Maastricht in handen, vernam de prins van Hessen-Kassel. “Het hoofdkwartier van het Franse leger bevond zich inmiddels in Keulen. Koblenz, Gulik en de Nederlandse stad Den Bosch waren al ingenomen. Het Franse leger was opgerukt tot vóór Nijmegen en Venlo”.
   Inderdaad had Herman Willem Daendels als Frans generaal met succes vanaf 27 september in Den Bosch gevochten. De stad in het noorden van Brabant had zich op 10 oktober formeel overgegeven. Het moet een domper voor de gouverneur geweest zijn dit alles te horen. Als de berichten juist waren viel er geen hulp meer voor hem en de stad te verwachten. Maastricht was waarschijnlijk een Hollands eiland geworden midden in Frans gebied. Had het wel zin om de vesting nog verder te verdedigen?
 
 
6 3 Kleber
Kléber
 
 
Zo dacht Kléber, hoofd van de Franse omsingelaars, er eveneens over. “Bij het bericht was een aanmaning gevoegd aan de stadsbevelhebber. Uit hoofde van al deze omstandigheden eisten de aanvallers om deze stad, van alle hoop op ontzet verstoken, nu eindelijk over te geven. In dat geval zou er sprake zijn van ‘allerloflijkste’ voorwaarden”.
   Kléber besefte blijkbaar dat de prins van Hessen-Kassel wellicht niet onmiddellijk zou toehappen. “De Franse generaal bood de gouverneur aan, vóór het doen van die stap, een officier te benoemen, die men ter plaatse zou brengen zodat hij er zeker van zijn kon dat de feiten correct waren weergegeven”. [VH 299 e.v.]
 
Overigens vind ik [HK] het opvallend hoe snel de Franse innames, met name die van Den Bosch, op honderden kilometers afstand, bekend waren. Was dat te danken aan de optische telegraaf van Claude Chappe (1763-1805)?
 
 
Geen stap verder
 
 
De gouverneur hield krijgsraad. De briefschrijver liet hij vervolgens weten dat het hem onmogelijk was op het Franse voorstel in te gaan zonder uitdrukkelijke bevelen van zijn souverein – de Staten Generaal in Den Haag dus. “Hij verzocht de vrijheid een koerier naar Den Haag te zenden. In afwachting van diens terugkeer was het wenselijk de vijandelijkheden van beide kanten te staken”.  
   Kléber was het er juist om begonnen de overgave binnen de kortste tijd tot stand te brengen. “De Franse generaal weigerde aan het voorstel te voldoen. Hij volhardde bij de jongst gedane opeising. Deze onderhandeling liep vruchteloos ten einde”.
   Bij de Hollanders in Maastricht gloorde er nog wat hoop. Wie weet was er een algemene vrede op komst. Als men nog even volhield bleef die strategische vesting dan toch in Nederlandse handen. Bij een snelle overgave aan de Fransen was die kans een stuk kleiner. Maar: “Alle hoop op ontzet was verdwenen, zeker gezien de snelle opmars van de Franse wapenen op het grondgebied van Nederland”. [VH 299 e.v.]
 
 
Op naar het einde
 
 
6 4 kaart belegering Maastricht
kaart belegering Maastricht 1794 (zuiden is boven)
 
 
In de loop van oktober 1794 werd de bewapening, voor zover mogelijk, van twee kanten optimaal opgevoerd. Eerder aangelegde belegeringswerken werden ‘aan elkaar geketend’. De Fransen plaatsten ‘dertig stukken zwaar geschut en twee mortieren’ op een zorgvuldig gekozen plek.
   De in Maastricht gelegerde soldaten beantwoordden de dreiging met het afschieten van wat maar mogelijk was. “De batterijen der stad, die [tot dan toe] slechts nu en dan van zich hadden laten horen, deden nu aanhoudend, dag en nacht, de lucht weergalmen door schieten van kogels, bommen en houwitsers”.
   Het ‘Hollandse’ fort op de Sint Pietersberg speelde een belangrijke rol om de ‘belegeraars in hun werkzaamheden te ontrusten’. Aan de andere kant hielden Franse ‘jagers en scherpschutters de uitgezette voorposten van de belegerden gestadig bezig’.
   Hoe je het ook bekijkt, de Maastrichtenaren zatten als ratten in de val. En hulp was niet te verwachten.
 
Op 30 oktober werd een Franse trompetter in de stad toegelaten, deze keer zonder officier. Hij kwam met een nieuwe brief voor de stadsregering. Voor de tweede en laatste keer verzocht Kléber een antwoord op zijn eis de stad onmiddellijk over te geven. “Thans vertrok deze zendeling met het [afwijzende] antwoord van de regering”. Wat zou de prins van Hessen-Kassel bewogen hebben deze opstelling nog langer vol te houden?
   De aanvallers wisten in elk geval waar ze aan toe waren. Onmiddellijk werd handelend opgetreden. “Een onnoemelijke grote voorraad van artillerie stelde de Fransen in staat om krijgsgeweld op de stad uit te oefenen. Nauwelijks was de trompetter met de afwijzende brief vertrokken of men beschoot de stad met enige kogels en houwitsers van de batterijen op Caberg”.
   Dat was nog maar het begin. “Het schieten hield de hele nacht en de volgende ochtend aan tot tien uur”. Het vuren werd daarna niet verminderd maar juist verdubbeld. Het was 1 november 1794. “Bommen, houwitsers en gloeiende kogels kwamen niet alleen van Caberg maar vlogen rondom de gehele vesting. Er was nauwelijks een veilige schuilplaats boven en zelfs onder de grond”.
   Van enige terughoudendheid was geen sprake meer. “Akelig was het toneel dat Maastricht opleverde. Zowel aanzienlijke als geringe gebouwen vielen voor het geweld van kogels en bommen. Andere werden een prooi van de vlammen.
   Het gekerm en gejammer van burgers en soldaten, gewond door vijandelijk lood of instortende gebouwen, was afgrijselijk. Anderen huilden door de dood van een medeburger of het sneuvelen van zijn krijgsmakker”, het is allemaal te lezen in de Vaderlandsche Historie. “Drie dagen lang verkeerden de Maastrichtenaren in deze jammerlijke toestand. De stad werd door oorlogsgeweld aanhoudend geteisterd”. [VH 299 e.v.]
 
 
Overgave
 
 
Pas na drie dagen gaf de gouverneur toe. “Aangezet door de stadsregering en ook uit hoofde van andere omstandigheden opende hij de weg tot de overgave die hij tot dan toe had afgewezen. Op de avond van 3 november vaardigde hij een trompetter af naar het hoofdkwartier van de Fransen. Na korte tijd keerde deze met een gunstig antwoord terug”.
   Vanaf dat ‘gerust stellend tijdstip’, aldus de VH, ‘begon men aan de punten van de overgave te werken. De volgende morgen vroeg zweeg het Franse geschut’. [VH 304]
 
Intussen was er van Maastricht niet veel meer over. “Tweederde van de stad rekende men verbrand, verwoest of beschadigd – daaronder veel openbare gebouwen. In de eerste drie dagen van november waren er bovendien omtrent tweehonderd personen gedood of verminkt, zowel burgers als krijgslieden. In korte tijd [immers] waren meer dan 12.000 bommen, houwitsers en kogels op de stad geworpen. Sommige bommen wogen wel twee honderd pond”. [VH 304]
   Jaspar gaf nog enkele details: “De kerken van de Dominicanen, van Sint Antonius en van de Duitse Orde waren vreselijk toegetakeld. Het klooster van de Beijert brandde helemaal uit”. [J 99] In zijn geschiedenis van Maastricht legde Ubachs uit dat kerkelijke gebouwen als kloosters gebruikt waren als militaire opslagplaatsen. Er was daar kennelijk meer gebeurd dan het afstaan van geld en zilverwerk, om er noodgeld van te maken.
   Volgens sommige bronnen had Maastricht zich nog maar net op tijd overgegeven. “Voor 4 november was een algemene storm bepaald die het totale verderf van de stad ten gevolge gehad zou hebben. De Fransen hadden tachtigduizend man klaar staan met tweehonderd stukken geschut”. [VH 304]
   In een brief aan zijn vrouw wond de gouverneur zich opnieuw op over de houding van de Oostenrijkse militairen. “De soldaten konden het goed vinden met hun Franse collega’s. Midden in de nacht na de overgave zaten ze samen stevig aan de drank”. Hollandse soldaten moesten onder de wapens blijven om plunderingen te voorkomen. De Oostenrijkse officieren waren überhaupt niet meer bereid te assisteren bij het handhaven van de orde. Ze zouden bang voor de Maastrichtse bevolking geweest zijn.
   Jaspar, historicus van Maastrichtse afkomst, wond zich op. Luitenant-generaal Kleebeck beklaagde zich bij de nu voormalige gouverneur dat hij en zijn militairen valselijk beschuldigd werden. “Je moet maar durven!”, vond Jaspar. [J 100]
 
 
6 5 gevelsteen Côrversplein 12
gevelsteen van niet-vernield huis uit 1740: Cörversplein 12 (Wijk)
    
 
De overgave van Maastricht had niet alleen een militaire maar ook een interessante staatsrechtelijke betekenis. In 1632, bij de verovering van Maastricht door de troepen van stadhouder Frederik Hendrik, hadden de ‘Hollanders’ de plaats ingenomen van de hertog van Brabant. Maar de stad was en bleef tweeherig.
   Tussen 1632 en 1794 was het stadsbestuur zowel in handen van de Staten Generaal in Den Haag als van de prins-bisschop van Luik. Maar op 24 juli 1794 had François de Méan, sinds 1792 prins-bisschop van Luik, uit die stad moeten vluchten. In dat jaar hield de tweeherigheid van Maastricht op te bestaan.
 
 
Een nieuwe tijd
 
 
Tijdens de onderhandelingen wist de gouverneur te bereiken dat het garnizoen de stad nog met militaire eer mocht verlaten. Alsof de achtergebleven inwoners van Maastricht daarbij gebaat waren.
   In zijn geschiedenis van Maastricht schreef P.J.H. Ubachs dat er echt nieuwe tijden waren aangebroken. Tijdens de tweeherigheid slaagden de stadsbestuurders erin om ‘Luik’ uit te spelen tegen eerst Brabant en later Holland. Daar was nu geen sprake meer van. “Alles wat de Maastrichtenaars generaties lang van vader op zoon als onveranderlijk en onomstotelijk gekend hadden, kwam van de ene dag op de andere op losse schroeven te staan. Wat bij de capitulatie van de stad nog uitdrukkelijk bedongen was, de handhaving van het oude, was binnen drie jaar weggewaaid als een pluisje op de wind”. [U 101]
   Voor de Fransen bestonden de voormalige grenzen tussen ‘Nederland, België en Duitsland’ niet meer. Ze beschouwden zich in elk geval als de nieuwe eigenaar van het gebied dat tot voor kort als een soort bezit bestuurd werd vanuit Wenen en Den Haag. Het nieuwe Nederland, de Bataafse Republiek die op 18 januari tot stand kwam door de vlucht naar Engeland van stadhouder Willem V en de inname van Amsterdam door Franse troepen met onder meer Herman Willem Daendels, gaf het zuiden van het land bij de onderhandelingen van het tractaat van Den Haag, in mei 1795, formeel over aan de Franse revolutionairen. Frankrijk kon met instemming van de Hollanders gewoon de baas spelen in Maastricht. De nieuwe gouverneur van Maastricht werd de Franse brigadegeneraal Jean-Baptist Bernadotte.
 
 
6 6 Nedermaas een Frans departement
Nedermaas
 
 
De Franse regering, het Directoire, vanaf de zomer van 1795 onder leiding van Paul Nicolas de Barras, trad handelend op. Even leek het erop dat Maastricht ondergeschikt zou worden aan het eveneens door de Fransen ingenomen Aken, wat later aan het Frans geworden Luik.
   Het pakte anders uit. Per 1 oktober 1795 werd Maastricht niet alleen formeel een Franse stad, maar ook hoofdstad van het Franse departement Meuse Inférieure (Nedermaas). In plaats van als een militaire Hollandse buitenpost te fungeren kreeg de stad een interessante status. In plaats van rechtstreeks vanuit Den Haag geregeerd te worden, mocht de stad voortaan afgevaardigden naar het parlement in Parijs sturen. In 1798 waren dat Joseph Michiels en André Membrede. [J 101]
   Natuurlijk waren er grote veranderingen. Oude machtssymbolen verdwenen, nieuwe kwamen er voor in de plaats. Kerkelijke gebouwen kregen een wereldlijke functie. De perroen op de hoek van Vrijthof bij de Grote Staat, teken van de wereldlijke macht van de bisschop van Luik, werd afgebroken. Op een toren van de Sint Servaas-kerk werd de keizerlijke adelaar vervangen door een Jacobijnenmuts. Op het Vrijthof werd een vrijheidsboom geplaatst. In de Waalse kerk aan de Sint Pieterstraat werd de godin van de rede vereerd. Enzovoort.
   Door de nieuwe grenzen veranderden tevens de economische omstandigheden. Wie op de juiste manier zijn kansen greep kon het ver brengen. Vooral Charles Roemers, die zwoer bij de vooruitgang en zich pro-Frans opstelde, wist een groot kapitaal te vergaren. Weldra betrok hij een patriciërswoning aan de Brusselsestraat.
 
Ubachs legde uit hoe dat mogelijk was: “Na 1800 bloeide de stad weer op. Het verdwijnen van de gildes maakte het vrije ondernemen mogelijk. De leegstaande kloostergebouwen in de stad boden goedkoop onderdak aam nieuwe bedrijfjes. Landbouw, veeteelt en werkplaatsen profiteerden van het wegvallen van allerlei tolgrenzen door de inlijving bij het grote Frankrijk, een handelsgebied dat zich uitstrekte tot van de Middellandse Zee tot aan de Noordzee. Kooplieden, industriëlen, militairen en kopers van nationale goederen konden hiervan profiteren”. [U 108]
   In Nederlandse (‘Hollandse’) geschiedenisboeken wordt gerept van slechte economische omstandigheid als gevolg van de oorlog tussen de Britten en de Fransen, vooral door het Continentaal Stelsel. ‘Maastricht’ daarentegen produceerde voor de Franse binnenlandse markt.
  
 
6 7 vondst mosasaurus
Mosasaurus gevonden in mergelgrot
 
 
Volgens Maastrichtse historici zat het wel iedereen dwars dat de Fransen na de inname veel goederen uit de stad naar de hoofdstad Parijs overbrachten. Je kunt geen regionaal geschiedenisboek open slaan of er wordt gesproken over de roof van de Mosasaurus (populaire prehistorische ‘maashagedis’, te vergelijken met ‘Trix’, sinds 2016 in Leiden). De schedel van het twintig jaar eerder in de Sint Pietersberg gevonden dier was eigendom geworden van een priester. Theodorus Godding werd echter met zachte of harde hand gedwongen zijn bezit ‘ten geschenke te geven’ aan de Franse regering. De Maastrichtse schat kwam na een reis per kar (vanaf 9 december 1794) in een museum van Parijs te recht en is ondanks herhaaldelijk ‘aandringen’ tot op de dag van vandaag niet terug gegeven. Maastricht heeft zijn eigen ‘Elgin Marbles’.
   Die zelfde Maastrichtse historici benadrukken vaak dat de meeste inwoners zich onverschillig opstelden ten aanzien van de nieuwe machthebbers. Op die manier hadden ze eerder van de tweeherigheid kunnen profiteren.
   In 1799 kwam Napoleon aan de macht. Als eerste consul bezocht hij de nu Franse stad met voor hem grote militaire betekenis in de zomer van 1803 – maar liefst drie dagen lang, samen met zijn vrouw Josephine de Beauharnais en haar zoon Eugène. In zijn geschiedenis van Maastricht benadrukte Ubachs de afwezigheid van enigerlei aanhankelijkheid. “De stad schijnt hem weinig belang ingeboezemd te hebben. De stad van haar kant toonde ook weinig interesse”. [U 107] Dat is de toon die je steeds terugvindt in plaatselijke en regionale geschiedenisboeken.
 
 
Het beleg van 1813-1814
 
 
Na de mislukte Russische veldslag kwam er een einde aan het keizerschap (sinds 1804) van Napoleon. Herman Willem Daendels was met hem meegegaan en trad op als bevelhebber van de Franse troepen in Modlin, niet ver van Warschau. Lange tijd, tot tegen het einde van 1813, slaagde hij erin die vesting onder Franse controle te houden.
   De vijanden van Frankrijk rukten op naar Parijs. In zijn geschiedenis van Maastricht schreef Ubachs: “Op 13 december 1813 werd de Maasvesting in staat van beleg verklaard. Een maand later sloten de geallieerden de stad in”. Negentien jaar na de inname door de Fransen op 4 november 1794 was het weer eens zover. “Pruisische, Russische, Zweedse en ook een handvol Nederlandse troepen bivakkeerden in de omgeving van de Franse vesting. De inwoners maakten een harde oorlogswinter door”. Leider van de geallieerde troepen was Jean-Baptist Bernadotte, die eerder als eerste Franse gouverneur na de inname was opgetreden.
 
 
6 8 Lodewijk XVIII koning in Maastricht april mei 1814
Lodewijk XVIII, koning in Frankrijk en ook in Maastricht april-mei 1814
 
 
Een bombardement bleef deze keer uit. In april van 1814 nam Lodewijk XVIII de troon van Napoleon over. Dat had ook voor Maastricht consequenties. Ubachs: “Het Maastrichtse garnizoen zwoer de nieuwe Franse koning eind april trouw”. [U 108] Bij die gelegenheid zal de witte vlag van de Bourbons gewapperd hebben. Maar na het sluiten van een wapenstilstand kregen de Franse militairen opdracht hun vesting te verlaten en zich binnen de nieuwe grenzen terug te trekken. Het duurde nog tot 1 augustus 1814 voordat Maastricht als gevolg van internationale afspraken ingelijfd werd door het Koninkrijk der Nederlanden. De inwoners werden nu onderdanen van koning Willem I, zoon van stadhouder Willem V.
   Aan de afsluiting van de stad op 22 september 1794 was definitief een einde gekomen.
 
 
Harry Knipschild
24 januari 2017
 

De citaten heb ik, zo nodig, bewerkt en hertaald.

 
Literatuur
Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, zints den aanvang der Noord-Americaansche onlusten, en den daar uit gevolgden oorlog tusschen Engeland en deezen staat, tot den tegenwoordigen tijd. Uit de geloofwaardigste schrijvers, en egte gedenkstukken, zamengesteld. Ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie, deel 27, Amsterdam 1801
Edmond Jaspar, Kent geer eur eige stad?, Maastricht 1973 (1936)
P.J.H. Ubachs, Tweeduizend jaar Maastricht, Maastricht 1991
J.C.H. Blom, E. Lamberts (red.), Geschiedenis van de Nederlanden,Rijswijk, 1993
P.J.H. Ubachs, I.M.H. Evers, Ongewilde Revolutie. Limburgs Maasland onder Frankrijk 1794-1814, Maastricht 1994
  • Hits: 15414

5 - Het beleg door de Fransen van Maastricht (1794), deel 1

 1 1 Daendels
 
 
In 1794 en januari 1795 liepen de Fransen de Nederlandse Republiek der Zeven Provinciën onder de voet. Herman Willem Daendels (1762-1818), die in 1787 uit eigen land moest vluchten omdat hij zich tegen het bewind van stadhouder Willem V verzette, speelde een dominante rol bij de inname door Franse troepen.
   Maar de voormalige inwoner van Hattem kon niet op alle plaatsen tegelijk zijn. Hij was betrokken bij de verovering van Den Bosch terwijl de Franse generaal Kléber in die weken de zuidelijke vestingstad Maastricht aan de Maas voor het nieuwe Frankrijk wist in te nemen.
 
 
 
Publicaties over het beleg van Maastricht
 
 
In hedendaagse geschiedenisboeken neemt deze gebeurtenis niet veel plaats in. De Geschiedenis der Nederlanden (1993) onder redactie van Hans Blom en Emiel Lamberts liet de inname onvermeld. Misschien kwam dat wel omdat de stad, door Frederik Hendrik in 1632 gewapenderhand bij ‘Nederland’ gevoegd en daarna vanuit Den Haag bestuurd, niet tot het kerngebied van de Republiek behoorde.
   In Ongewilde Revolutie. Limburgs Maasland onder Frankrijk  maakte de Limburgse historicus Pierre Ubachs (1925-2010) niet veel woorden vuil aan hetgeen er in september-november 1794 gebeurde. “De capitulatie van Maastricht op 4 november”, zo vatte hij het in 1994 samen, “vormde de afronding van de verovering van de Zuidelijke Nederlanden [België] en het Rijnland [in Duitsland]”. [UE 22]
 
 
5. 1 Kléber Louvre
Jean-Baptiste Kléber (1753-1800, Louvre, Parijs)
 
 
In Tweeduizend jaar Maastricht (1993) gaf Ubachs iets meer feiten – althans in militair opzicht. “Eind september 1794 begon het beleg door de Franse revolutionairen. Hun bevelhebber Kléber maakte vooral gebruik van zijn vele kanonnen om de stad op de knieën te krijgen. Vanaf de Louwberg bombardeerde hij fort Sint Pieter.
   De hoofdaanval was gericht op de Boschpoort en de Brusselse Poort. Kléber richtte zijn geschut bij voorkeur op de militaire opslagplaatsen in de stad, waarvoor ook veel kloosters gebruikt werden. Verschillende gebouwen vlogen daardoor in brand of leden zware schade, zoals het zusterklooster de Beyart aan de Brusselsestraat, de kloosters van de voormalige Antonieten en van de Nieuwe Biezen bij het huidige Bassin en het Dominicanenklooster aan de Helmstraat.
   Op 3 november opende de Staatse gouverneur, de [Duitse] prins van Hessen-Kassel, [dus in dienst van de Generale Staten, Den Haag] door de stijgende nood gedwongen, onderhandelingen met Kléber en een dag later capituleerde de Maasvesting”. [U 99]
   Zo eenvoudig was het, of leek het te zijn.
 
 
Edmond Jaspar over eerder beleg (1793)
 
 
In Kent geer eur eige stad? gaf Edmond Jaspar in 1936 meer details, inclusief de voorgeschiedenis. Dr. Jaspar schreef [in het Maastrichts] over de Fransen die vanaf 1789 ‘hals over kop uit hun land moesten vertrekken en zich dus nagenoeg zonder middelen van bestaan bevonden, zodat ze op het medeleven en de gastvrijheid van de burgerij aangewezen waren. De meeste Maastrichtse huishoudens namen, als het maar even kon, een familie of enige alleenstaande personen onder hun dak op’.
   Onder de vluchtelingen waren behalve personen van adel tevens 520 geestelijken, onder wie de bisschoppen van Béziers, Bourges, Auxerre, Chalons-sur-Marne en Chartres.
   Er was de gevluchte Fransen uiteraard veel aan gelegen dat de stad niet in handen van de revolutionairen zou komen. Ze boden dan ook aan, aldus Jaspar, om in militair opzicht een steentje bij te dragen aan de verdediging. Het garnizoen, 4500 man sterk in 1793, en bestaande uit ‘Hollanders, Zwitsers en Duitsers’, kon met 1.200 man uitgebreid worden. Onder hen 300 (voormalige) officieren van de Franse artillerie en marine. Ze kregen zo nodig het commando over de batterijen op de wallen van de stad.
   Jaspar voegde er met mooie woorden aan toe: “Franse vluchtelingen en Maastrichtenaren voelden zich op dat moment één en hadden allemaal hetzelfde doel: de stad uit de ban van de republikeinen te redden”. [J 96]
 
 
5. 2 Beleg Maastricht 1793
beleg 1793
 
 
Bij de eerste, mislukte, belegering van de stad, in 1793, maakten Franse geestelijken zich verdienstelijk. Dag en nacht waren ze in de weer om de gewonden te verzorgen en de branden te blussen, die door bommen, 6.000 in totaal, op de stad aan de Maas gericht waren. Toen de revolutionaire troepen wegtrokken gaf een plechtig ‘Te Deum’ in de Sint Servaas-kerk uiting aan de gevoelens van dankbaarheid van burgers en émigrés voor de bevrijding, niet door Hollandse maar door Oostenrijkse troepen.
   Vanuit Den Haag was er, lijkt het, niet veel hulp geweest.
 
 
Ontwikkelingen in 1794
 
 
In de eerste maanden van het daaropvolgende jaar, 1794, leek het er aanvankelijk op dat niet Frankrijk, maar de geallieerden de koers der gebeurtenissen aan het bepalen waren. Dat is goed te lezen in een eigentijdse bron, Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, deel 27. Het boekwerk, een vervolg van de publicatiereeks onder historicus Jan Wagenaar, werd anno 1801 uitgegeven – niet in Maastricht of omgeving, maar een stuk verder in het noorden: Amsterdam.
   De Nederlandse regering in Den Haag kon zelf op militair gebied maar weinig presteren. Er was in die tijd immers geen dienstplicht. De twee zonen van stadhouder Willem V traden wel als legeraanvoerders op. Soldaten die voor de Nederlandse zaak wilden vechten werden in het buitenland aangeworven. Vooral Pruisische troepen waren van belang.
   Onderhandelingen van de geallieerden onderling leken resultaat te hebben. De koning van Pruisen, zo werd vastgelegd, zou uiterlijk 24 mei een volledig paraat leger van 62.400 man leveren. De Britten waren bereid een groot deel van de kosten voor hun rekening te nemen, maar Nederland moest ook zelf financieel over de brug komen.
   Niet alle Nederlandse provincies waren echter bereid mee te betalen aan de Pruisische krijgsmacht. Met name de Friezen, die niet op de hoogte waren gesteld van de onderhandelingen, verzetten zich tegen de opbouw van zo’n leger.
   Achteraf deed het er niet toe. De Pruisen trokken zich onverwacht helemaal terug uit de strijd tegen de Fransen. Aan hun oostgrens, bij de ‘verdeling van Polen’ was voor hen meer te bereiken. De andere geallieerden moesten het verder maar zelf opknappen. Op 26 juni 1794 wist het Franse leger bij Fleurus (ten westen van Namen in België) zijn nog overgebleven tegenstanders te verslaan.
 
Voortaan was er geen sprake meer van een aanval op het revolutionaire Frankrijk, dat koning Lodewijk XVI en zijn echtgenote, de Oostenrijkse prinses Marie Antoinette, door middel van de guillotine vermoord had. Integendeel, vanaf die dag rukten de Fransen zelf op.
   Ondanks allerlei oproepen waren de Belgen, inwoners van de Oostenrijkse Nederlanden, er nauwelijks toe te brengen het bewind, dat in Wenen zetelde, te verdedigen. Waarom zouden ze? Moesten ze hun leven wagen voor een Oostenrijkse in plaats van een Franse overheersing? Binnen een aantal weken was het gebied ten zuiden van de Nederlandse grenzen in Franse handen.
   In de Vaderlandsche historie zijn de details met bijbehorende afgedrukte documenten te lezen. Google Books brengt al die kennis bij je thuis. Voorbij is de tijd dat je (altijd) moet reizen naar soms verre bibliotheken om er in speciale leeszalen te kunnen onderzoeken wat twee eeuwen geleden gedrukt werd. Het originele boek, integraal op internet te lezen, geeft een mooi en gedetailleerd inkijkje in hoe het er in 1794 toeging.
 
 
5. 3 boek VH
 
 
Aanval op Nederland, te beginnen in Sluis
 
 
Na de omwenteling in België was Nederland vanaf juli 1794 aan de beurt – om te beginnen de grensvesting Sluis in Zeeuws-Vlaanderen. Op 9 juli verscheen een Franse officier voor de stad, vergezeld van een trompetter en twee ruiters. Hij eiste dat de stad zich zou overgeven. De daar aanwezigen kregen te horen dat Ieper, Charleroi, Nieuwpoort en Oostende al ‘met Frankrijk verenigd’ waren. Voor zover nog nodig legde de Franse officier uit dat de troepen van de Oostenrijkse keizer Franz bij Fleurus verslagen waren en dat Bergen, Gent, Doornik, Brugge enzovoort waren ingenomen. De bevelvoerder in Sluis werd verzocht ‘gijzelaars’ af te vaardigen om te onderhandelen over de voorwaarden – ‘ter voorkoming van rampen, zo onvermijdelijk aan de moed en drift van de [Franse] republikeinen”.
   De Franse commandant liet aan zijn Nederlandse collega weten: “Ik wacht op een beslissend en kort antwoord en hoop dat u niet aarzelen zult om te besluiten tot een keuze waardoor het niet nodig is geweld te gebruiken”.
   Majoor-generaal H.W. van der Duin, bevelhebber van Sluis, gaf zich niet zo maar over. De stad was op een aanval voorbereid. Hij had de beschikking over een troepenmacht van tweeduizend man. De eerste Franse aanval wist Sluis dan ook af te slaan. Nadat de Fransen zich teruggetrokken hadden kwam prins Frederik, de jongste zoon van de stadhouder, ‘tot bemoediging’ een kijkje nemen. Hulp bood hij echter niet.
   De Fransen sloten Sluis van alle toevoer af alvorens opnieuw in de aanval te gaan. Ondanks de afsluiting van de vesting wist men toch een boodschap bij prins Frederik te bezorgen. Deze kon echter ‘geen onmiddellijke baat toebrengen’. Steun uit Holland viel er dus niet te verwachten. In de overvolle vesting braken ziektes uit zodat er van de tweeduizend soldaten na korte tijd nog maar vijfhonderd adequaat konden functioneren. Commandant Van der Duin kwam ook zelf in de ziekenboeg terecht. Voor Sluis zat er niets anders op dan zich alsnog over te geven. Dat gebeurde op 25 augustus 1794.
 
De Fransen waren niet mild. De militairen werden in krijgsgevangschap afgevoerd. Ook de 500 Franse émigrés werden op transport gezet en naar het revolutionaire vaderland, van waaruit ze gevlucht waren om hun leven te redden, teruggevoerd. Alle wapens, 10.000 geweren en 150 stukken geschut, kwamen onbeschadigd in Franse handen. Stadhouder Willem V, zijn twee zonen, en de bondgenoten wisten waren ze aan toe waren.
   De poort naar de rest van (het westen van) Nederland stond open. De veroveraars rukten meteen flink op in de omgeving van Sluis. Over een rol van Daendels in Sluis en omgeving is in het boek niets te lezen.
 
 
Aanpak van veroverde gebieden
 
 
Voor de oprukkende Franse troepen was de leuze: ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap of de dood’. Twee volksvertegenwoordigers, die in contact stonden met Parijs, hadden in België al bepaald hoe de generaals en hun troepen zich behoorden te gedragen.
 
 
5. 4 Sluis 1794
 Sluis 1794
 
 
In dreigende en heldere taal was het vastgelegd.
   De inwoners kwamen voortaan onder ‘bescherming’ van de Franse republiek. Maar daar moesten ze zich dan wel naar gedragen. Wie strijdig handelde met de ‘zekerheid van het Franse volk’ zou voor de revolutionaire rechtbanken van Frankrijk gebracht worden en aldaar volgens de wetten gevonnist worden. Plaatselijke bestuurders moesten gehoorzamen aan hetgeen de veroveraars van hen eisten. “De ongehoorzamen zullen als vijanden van de republiek worden behandeld”. Alle inwoners moesten hun wapens binnen 24 uur inleveren. Wie iets achterhield zou ‘met de dood gestraft’ worden. Franse assignaten waren voortaan een wettig betaalmiddel. Enzovoort. [VH 175 ev]
 
 
Fransen rukken verder op
 
 
Als je deel 27 van de Vaderlandsche Historie leest valt op dat er weinig élan was bij het Nederlandse volk om zich te verdedigen tegen het oprukkende Franse volksleger. Oproepen van bovenaf om steun aan de stadhouder en de regenten, die de steden en de provincies bestuurden, hadden weinig resultaat. Het lijkt een beetje op de houding van de Belgen. Waarom zouden ze zich druk maken om het bewind van Willem V in stand te houden?
   In het zuiden van ‘Nederland’, de generaliteitslanden die als een kolonie rechtstreeks vanuit Holland bestuurd werden, zal er zeker niet meer animo dan elders geweest zijn. Buitenlandse troepen van de geallieerden waren wel aanwezig, maar trokken zich op beslissende momenten vaak ‘tactisch’ terug. Zo werd het de Fransen niet bijzonder moeilijk gemaakt in de zomer van 1794.
   In de Nederlanden waren twee Franse legers actief, dat onder leiding van Pichegru (inclusief een brigade onder bevel van Daendels) en een waarover Jean-Baptiste Jourdan namens Parijs de scepter zwaaide. Het leger van Jourdan nam Namen op 17 juli in en trok verder naar het noordoosten. Luik viel op 27 juli 1794. Jourdan had nagenoeg vrij spel tot in de verre omgeving. Weldra waren de oevers van de Maas en Ourthe rood van het bloed aldus bronnen van die tijd. De Oostenrijkse keizerlijke troepen, voor zover niet verslagen, trokken steeds verder weg. In de VH (Vaderlandsche Historie, deel 27) werd gesproken over een ‘welgemaakte aftocht’. [VH 288]
 
 
Maastricht in de zomer van 1794
 
 
Wat er vervolgens plaatsvond in Maastricht was een ‘grote gebeurtenis’ en verdiende een bijzondere vermelding aldus de VH. “Maastricht had kort daarvoor al de angsten van een beleg doorstaan”. De stad was weliswaar niet overmeesterd maar had wel nadelen ondervonden. “In de zomer van 1794 was de stad onophoudelijk een krijgstoneel”.
   De Oostenrijkers, inclusief de prins van Saksen-Coburg en aartshertog Karel, hadden er hun hoofdkwartier gevestigd. Bovendien hadden de Staten Generaal er twee commissarissen heen gestuurd, Mr. W.H. van Grootenray en Mr. J. Meerman, vrijheer van Dalem. ‘Vanwege de tijdsomstandigheden’ werden de vertegenwoordigers van Holland niet met de ‘gewone ereschoten’ verwelkomd.
   In Maastricht was het niet veilig. Al een paar dagen na hun aankomst vertrokken de commissarissen weer. Ook de hoge militaire afgevaardigden van de Oostenrijkse keizer verlieten de stad. Ze verplaatsten hun hoofdkwartier naar ’s-Gravenvoeren. “Dit had het uitwijken van veel keizerlijk krijgsvolk ten gevolge”. Het in de Voerstreek gevestigde Oostenrijkse leger bestond uit 65.000 militairen.
 
 
5. 5 Johan Meerman
Johan Meerman (1753-1815)
 
 
De prins van Hessen-Kassel, gouverneur van Maastricht namens Willem V, ontving nog een ‘geruststellende brief’ van de Oostenrijkse legerleiding. “Ik heb besloten de oevers van de Maas te verdedigen zolang geen dringende gebeurtenissen mij noodzaken andere schikkingen te nemen”.
   Het Oostenrijkse leger zou op 23 juli 1794 de Maas oversteken en stellingen op de rechter oever innemen, las de prins. Vanaf die plek zou defensief worden opgetreden in het gebied ten oosten van de Maas tussen Luik en Roermond. Maastricht had hij niet helemaal vergeten. “Ik geef order aan generaal-majoor Kraay om met zes bataljons, zes compagnieën lichte troepen, twee eskadrons lichte ruiterij en twee eskadrons huzaren als een voorpost bij Maastricht te blijven”. De gouverneur mocht aanwijzen waar een legerkamp opgeslagen moest worden.
 
De eerste paar weken vonden er niet meer dan enkele schermutselingen plaats buiten de stadsmuren. “Men hield zich te Maastricht vrij gerust. Een gerustheid welke duurde tot de helft van september”.
   Na de inname van Luik trokken steeds meer Oostenrijkse troepen in oostelijke richting over de Maas. Ze verzamelden zich in ’s Gravenvoeren ‘om het verder doorbreken van de Fransen te beletten’. Maastricht, grotendeels op de westeroever van de Maas, had nu geen prioriteit meer. Op 11 september brak het legerdeel van generaal Kraay op. “Het ontruimde de stelling der dekking van Maastricht genomen en de batterijen aldaar aangelegd”.
 
 
Komst en vertrek van Fransen
 
 
De Fransen die sinds 1789 uit hun land gevlucht waren om hun leven te redden wisten wat hen te wachten zou staan als de stad in handen van de Franse revolutionairen zou komen. Dat was na de inname van Belgische steden en van de Nederlandse vestingstad Sluis extra duidelijk geworden. In de VH is dan ook te lezen: “Een legerbende Franse emigranten en overlopers, in Hollandse soldij staande, had twee maanden in Maastricht in bezetting gelegen. Maar omdat ze de nadering van de Fransen vreesden trokken ze met hun hoofd, de prins van Hohenlohe, naar Venlo”.
   In tegenstelling tot een jaar eerder was er geen lust om mee te helpen de stad te verdedigen. Blijkbaar was men niet optimistisch gestemd. “Velen namen de wijk. Het vluchten hield aan zolang er rijtuigen of karren te bekomen waren en de weg onbelemmerd was”. Er was haast geboden. “De Fransen vertoonden zich in de dorpen op de linkeroever van de Maas. Onmiddellijk vonden er schermutselingen plaats”.
   In Maastricht werden maatregelen genomen. Het was duidelijk dat zich na de Franse aanval van 1793 een nieuw beleg al aan het voltrekken was. “Men stelde zich onverwijld in staat van verdediging. Hinderlijke huizen werden afgebroken en bomen gekapt”. Vanaf 21 september 1794 was de stad aan de Maas van de buitenwereld afgesloten. Maastricht, inclusief Wijk op de oostelijke oever, werd meteen van alle kanten beschoten. Voorlopig was er echter nog maar weinig schade. [VH 288 ev]
 
 
5. 6 Edmond Jaspar
Edmond Jaspar (1906-1955)
 
 
In zijn boek van de geschiedenis van de stad gaf de Maastrichtse historicus Edmond Jaspar andere details. Hij vestigde er de aandacht op dat bij het beleg van 1793 wederom gebleken was hoe sterk de vesting was. De aanvallers spraken over ‘la place importante de Maestricht, l’une des plus fortes places de l’Europe’.
   Na het doorstane beleg van 1793 hadden zich meer dan ooit vluchtelingen bij de poorten aangemeld. Meer dan elders waanden ze er zich veilig. De toeloop was extra hevig geweest omdat de notabelen van Frankrijk zich extreem bedreigd voelden als gevolg van de Terreur onder leiding van Robespierre (vanaf juni 1793).
   De toeloop van ‘allochtonen’ was zo groot dat de gouverneur, de eerder genoemde prins van Hessen-Kassel, maatregelen had moeten nemen om het aantal inwoners binnen de perken te houden. Niemand mocht zich zomaar binnen de muren vestigen. Je moest je op het stadhuis melden om eventueel een verblijfsvergunning te krijgen. Een bewijs van die vergunning moest je altijd en onmiddellijk kunnen tonen. Verklikkers van illegale Fransen werd een beloning in het vooruitzicht gesteld. Vreemdelingen was het expliciet verboden om ‘valse en alarmerende geruchten’ te verspreiden.
   Jaspar bevestigde de angst van de émigrés, die in Maastricht asiel wisten te vinden. Na de nederlaag blij Fleurus op 26 juni zagen ze de bui al hangen. Hun angst werd nog vergroot toen Oostenrijkse troepen bij Frimont (ten zuiden van Luik) op 18 september opnieuw verslagen werden. Vluchtelingen, die in Maastricht verbleven, trokken, ‘beschermd’ door en met de troepen van de geallieerden richting Valkenburg en Aken in de richting van de Roer. Volgens Jaspar begrepen de uitgeweken Fransen heel goed dat het met hen ‘niet goed zou aflopen’ als de stad in handen zou vallen van hun republikeinse landgenoten.
   Franse troepen trokken overal steeds verder op. Ze behaalden de overwinning in Tongeren en Hasselt. Jaspar: “Ze wilden een sterk steunpunt aan de Maas in handen krijgen om in de winter van 1794 op 1795 van daaruit de omgeving in bedwang te houden”. Intussen groeide de troepenmacht van Kléber geleidelijk aan tot 40.000 man. [J 97 ev]
 
  
Maastricht wil zich niet overgeven
 
 
Op 26 september eiste de Franse generaal Kléber dat Maastricht zich binnen drie uur moest overgeven. Verdedigen had geen zin, betoogde hij. De Fransen hadden immers een onoverwinnelijke armée die uit 200.000 man bestond. Het Franse leger behaalde de ene ‘zegepraal’ na de andere. Kléber bevestigde zijn eis tot overgave in een brief aan de stadregering.
   De gouverneur van Maastricht liet zich ogenschijnlijk niet intimideren. “Eer en plicht noodzaakten hem de vesting tot het uiterste te verdedigen”.
   De inwoners van de stad zagen dit alles met lede ogen aan, is in de VH te lezen. Hun mening lijkt niet ter zake gedaan te hebben. Het was de gouverneur die de beslissingen nam. “Opeising en weigering van overgave deden alle schrikbeelden van het naderende beleg geboren worden. De burgerij nam maatregelen ter beveiliging in de kelders en andere verzekerde plaatsen. Op de weigering tot overgave volgde voorlopig echter nog geen krijgsgeweld. Alles bleef twee dagen stil. Wat er voorviel tot het einde van de maand had niets van aanbelang te beduiden”.
 
 
Hoop?
 
 
Het ontbreken van krijgsgeweld was één kant van de zaak. De Fransen zaten in die tijd zeker niet stil. Ze pakten het beleg ‘ijverig’ aan. Op de linkeroever van de Maas legden ze batterijen aan en voltooiden andere – die door Kraay aangelegd waren? Op de oostelijke oever deden ze hetzelfde. “In weinige dagen zagen de Maastrichtenaren zich door die aangelegde werken omringd”.
   Een jaar eerder hadden Oostenrijkse troepen de stad ontzet. Men rekende erop, hoopte in elk geval, dat de troepen van keizer Franz vanuit ’s Gravenvoeren, zoals toegezegd, opnieuw een helpende hand zouden bieden. Of zoals het in de VH later afgedrukt werd: “Men vleidde zich bij aanhoudenheid met het denkbeeld dat ’s keizers leger weder zou opdagen om het benauwde Maastricht te ontzetten”. [VH 293-294]
   Hoop doet immers leven...
 
Harry Knipschild
23 november 2016
 
In een tweede artikel het vervolg. De citaten heb ik, zo nodig, bewerkt en hertaald.
 
Literatuur
 
Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden, zints den aanvang der Noord-Americaansche onlusten, en den daar uit gevolgden oorlog tusschen Engeland en deezen staat, tot den tegenwoordigen tijd. Uit de geloofwaardigste schrijvers, en egte gedenkstukken, zamengesteld. Ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie, deel 27, Amsterdam 1801
Edmond Jaspar, Kent geer eur eige stad?, Maastricht 1973 (1936)
P.J.H. Ubachs, Tweeduizend jaar Maastricht, Maastricht 1991
J.C.H. Blom, E. Lamberts (red.), Geschiedenis van de Nederlanden, Rijswijk 1993
P.J.H. Ubachs, I.M.H. Evers, Ongewilde Revolutie. Limburgs Maasland onder Frankrijk 1794-1814, Maastricht 1994
  • Hits: 16866

8 - De Franse bemoeienis met Java vóór de komst van Daendels

1 1 Daendels

 
 
In 1799 kwam Napoleon Bonaparte (1769-1821) door een staatsgreep aan de macht in Frankrijk. De generaal, die op het eiland Corsica geboren was, probeerde vanaf 1799 steeds meer macht naar zich toe te trekken. Hij liet zich uitroepen tot eerste consul, vervolgens consul voor het leven en in 1804 tot keizer.
    Napoleon streefde er bovendien naar een groot Frans wereldrijk tot stand te brengen. Nadat hij zijn broer Louis in Holland in 1806 als koning op de troon had laten zetten en daarbij zijn macht in ‘Nederland’ nog weer wat verder versterkte, toonde hij weldra belangstelling voor de voormalige bezittingen van de VOC in het verre oosten.
 
 
8 1 Louis Bonaparte
Louis Bonaparte
 
 
Opdracht voor Daendels
 
 
Louis Bonaparte, beter bekend als koning Lodewijk Napoleon, was goed op de hoogte van de wereldwijde interesse van zijn grote broer. Het standpunt van de keizer, schriftelijk vastgelegd, luidde: “Als u uw strijdkrachten ter land en ter zee vermindert en zo uw koloniën verliest, zal ik niets voor Holland doen”.
    Het was dus de bedoeling dat de pas-aangestelde koning van Holland militair gezien in actie moest komen, ook aan de andere kant van de aarde.
    Op 1 juli 1806 – Louis was nog maar net in ons land gearriveerd - rapporteerde hij al aan Napoleon over de erbarmelijke toestand in Oost-Indië. “Het vloot-eskader in Oost-Indië bevindt zich in een staat van uitputting. Ik zou het kunnen vervangen door een soortgelijk eskader uit Tessel. Als Uwe Majesteit” – met die betiteling richtte hij zich tot zijn broer in de correspondentie – “het wenselijk acht, zal ik een goede land-officier naar Batavia sturen”.
 
Een paar maanden later, begin 1807, kreeg Herman Willem Daendels als gouverneur-generaal en maarschalk de opdracht om zich naar Batavia, hoofdstad van de Hollandse activiteiten in Azië, te begeven, er de macht te grijpen en de Franse belangen in het gebied veilig te stellen.
   Daendels lag goed bij de Fransen. De spionnen, die Napoleon met zijn broer naar Holland had meegestuurd, legden dossiers aan met gegevens over de top van de Hollandse samenleving. Over Daendels rapporteerden ze: “Het is een man met talent, hij heeft verstand van landbouw, zijn moed is tegen alles bestand. Hij is de vijand van de Engelsgezinden. Als het hem lukt voet te zetten op Java, zullen de Engelsen die kolonie nooit te pakken krijgen”.
    Op 1 januari 1808 arriveerde Herman Willem op de westkust van Java en ging aan het werk.
 
 
Eerdere Franse interesse voor Indië
 
 
De strategische belangstelling vanuit Frankrijk voor Oost-Indië was niet nieuw. Informatie over dit onderwerp is te vinden in een boek dat Octave J.A. Collet anno 1910 in Brussel publiceerde: L’île de Java sous la domination française. De titelpagina van het volumineuze werk (ruim 500 pagina’s) was verfraaid met een portret van Herman Willem Daendels.
 
 
8 2 Collet
 
Abraham Patras
 
 
De auteur ging terug naar 1685. In dat jaar herriep Lodewijk XIV, de Zonnekoning, het Edict van Nantes. Daarmee verviel voor de Fransen het recht om nog aanhanger te zijn van het protestantse geloof. Heel wat Hugenoten zochten hun heil vervolgens in Nederland. Een van hen, Antoine Patras, notaris in Grenoble, emigreerde naar ons land.
    Zijn in Grenoble geboren zoon Abraham (1671-1737) reisde op achttienjarige leeftijd als gewoon soldaat op een VOC-schip naar Indië. In Batavia was hij één van een groep soortgelijke Fransen die hun toevlucht in Nederlands-Indië gezocht hadden.
    Patras junior maakte tijdens zijn verblijf op Ambon en Ternate carrière bij de Oost-Indische Compagnie. Hij werd ingezet op Sumatra en Bengalen (het huidige oostelijk India). In 1731 werd Abraham buitengewoon lid van de Raad van Indië. Op 10 maart 1735 werd de Franse Nederlander zelfs uitgeroepen tot gouverneur-generaal, de hoogste functie als VOC-man in Azië.
 
 
Fransen op Sumatra
 
 
Van Abraham Patras kun je natuurlijk niet zeggen dat hij de Franse interesse voor de VOC in Azië behartigde.
    Toch was die er, zeker in de achttiende eeuw wel degelijk. Het was een tijd waarin de Britten en de Fransen op veel plaatsen in de wereld tegenover elkaar stonden – bijvoorbeeld in het eerste grote westerse wereldconflict, de Zevenjarige Oorlog (1756-1763).
    In 1760 bracht een militaire expeditie onder leiding van de Franse graaf Charles van Estaing (1729-1794) in 1760 succes voor de Fransen op de westkust van Sumatra. Ze vestigden daar de ‘Forts et Etablissements français à la côte de Sumatra’.
    De Franse vice-admiraal Pierre André de Suffren (1729-1788) kwam tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) in actie. Hij beschermde de Nederlandse koloniën in Zuid-Afrika en op Ceylon. Bovendien wist hij de Engelse marine uit Indië te weren. P.A. Suffren overwinterde eind 1782 in Atjeh.
    De Verenigde Oostindische Compagnie erkende de Franse hulp en was zelfs bereid genoegdoening te betalen. Maar vanwege de moeilijke financiële situatie in Nederland werd de overeengekomen som, vijf miljoen franc, uit de kas in Indië gehaald.
 
 
8 3 Pierre André de Suffren
Pierre-André de Suffren
 
 
Wisselende bondgenootschappen
 
 
De bondgenootschappen in die tijd ondergingen, ook in Batavia, een voortdurende verandering. De Engelsen bleken superieur in de oorlog met de Republiek en bevestigden hun suprematie nog eens na Goejanverwellesluis. De VOC raakte in grote financiële moeilijkheden. De voormalige bondgenoten, de Fransen, werden door de ontwikkelingen in Europa tot vijand verklaard.
    Engelse schepen waren dan ook volop aanwezig in de haven van Batavia toen daar op 9 augustus 1795 het bericht binnen kwam dat in Nederland de Bataafse Republiek was uitgeroepen, dat nu de Fransen de bondgenoten waren en dat de nieuwe republiek de Engelsen als vijand beschouwde. De situatie moet voor de Nederlanders in Indië buitengewoon verwarrend geweest zijn. Bovendien was het door de omverwerping van de bestaande orde in het moederland onduidelijk geworden hoe de normen en machtsverhoudingen in de kolonie zouden komen te liggen.
 
In Batavia braken relletjes uit, maar de daar aanwezige vanuit Nederland gestuurde commissaris-generaal Nederburgh ontpopte zich als de sterke man en wist de bestaande orde te handhaven. Persoonlijke loyaliteit moet ongetwijfeld moeilijk geweest zijn.
    De machthebbers verklaarden zich trouw aan de Bataafs/Franse coalitie, maar verdedigden tegelijk de principes van vóór de Franse Revolutie. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de Engelse schepen in de verwarring van het moment Batavia rustig verlieten.
 
 
Bataafs-Indië in de Franse tijd
 
 
Dankzij de vlucht van Willem V naar Engeland en de Kew Verklaring die hij daar tekende, kregen de Engelsen een volmacht om zich in naam van Oranje op te werpen als protector van alle Nederlandse gebieden in het verre oosten.
    Engeland, de grote zeemacht, stuurde onmiddellijk een vloot en door die razendsnelle reactie in Europa werden de Nederlandse bezittingen in Azië concreet bedreigd. In Malakka werd gouverneur Abraham Couperus, overgrootvader van de schrijver Louis Couperus, volkomen verrast door de komst van een grote Engelse overmacht en door het kennis nemen van de Kew Verklaring, getekend door Willem V, de man aan wie hij trouw gezworen had. De Engelsen veroverden Malakka, Padang, Banda en Ambon in een kort tijdbestek.
 
Misschien was het niet voor iedereen van harte, maar Java moest tegen de wereldmacht Groot-Britannië in staat van verdediging gebracht worden. De Raad van Indië stuurde vanaf dit moment continu, jaar in jaar uit, verzoeken om militaire hulp naar Nederland.
    In Indië was er een acuut tekort aan Europese soldaten. Dirk van Hogendorp, gouverneur van (Oost)-Java, richtte in 1795 in Soerabaja noodgedwongen twee bataljons op met inlanders. Een jaar later begon men Chinezen, Madoerezen en Soemanappers te oefenen voor de batterijen in Batavia. In 1797 werden zelfs de slaven onder de wapens geroepen; in datzelfde jaar trok de Hoge Regering ongeveer zesduizend Chinezen aan voor de artillerie. Mede als gevolg van ziekte en sterfte werd het Europese aandeel in de strijdkrachten steeds geringer.
 
De Fransen riepen in 1789 een nieuwe samenleving uit van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ze maakten een einde aan de oude standenmaatschappij, niet alleen in Frankrijk, maar ook in de koloniën. Gold dat ook voor de slaven?
    De gevolgen van de nieuwe ideeën lieten niet lang op zich wachten. In oktober 1790 brak op Santo Domingo een opstand uit onder leiding van Toussaint l’Ouverture, een voormalige slaaf die in het Franse leger gevochten had. De Franse Nationale Conventie schafte de slavernij in de kolonies af op 4 februari 1794, in de hoop dat de vrije ex-slaven tegen de Engelsen zouden vechten. Op Santo Domingo ontstond echter een vrije ‘zwarte staat’. Het is begrijpelijk dat de Europeanen in andere kolonies de ontwikkelingen daar met enige afschuw volgden.
 
Begin 1790 meldde de gouverneur van Isle de France, het voormalige Nederlandse eiland Mauritius bij Madagascar op de oude route naar Indië: “Er is hier geen onderscheid van rang. De laatste inwoner is even vrij als de eerste”.
    Toch vond ook daar de oprichting plaats van de Société populaire des amis de la liberté et de l’égalité républicaines.
    Op 25 januari 1796 vaardigde het Directoire een wet uit die het mogelijk maakte om agenten en troepen naar de koloniën te zenden om daar de nieuwe orde en vrijheden metterdaad tot stand te brengen. Ruim een maand later vertrok schout bij nacht Pierre Sercey (1753-1836) met de agenten Baco en Burnel en 1200 man troepen onder bevel van generaal Magallon naar Isle de France.
    Het lukte hen niet daar de macht te grijpen. De kolonisten waren doodsbenauwd voor een identieke situatie als op Santo Domingo. Ze slaagden erin de troepen in de kazernes vast te houden en de agenten op een schip terug naar Frankrijk te zetten. Niet veel later riepen ze de onafhankelijkheid uit.
 
Dirk van Hogendorp in Oost-Java, die een plan uitwerkte om de Molukken terug te veroveren maar geen militaire hulp uit Europa ontving, herinnerde zich de acties van Suffren en liet een verzoek uitgaan aan de Franse bondgenoten op Isle de France om hulp te bieden.
    De machthebbers op Isle de France reageerden positief. Ze wilden de uit Europa gestuurde soldaten maar al te graag kwijt; bovendien was Batavia bereid er nog voor te betalen ook. En zo arriveerde op Java onder leiding van brigadechef J.C. Gosson het twaalfde Franse bataljon.
    Gosson speelde een niet onaanzienlijke rol in de Javaanse politiek. Hij was betrokken bij de verijdeling van de coup van de Nederlandse commissaris Nordmann en zijn aanwezigheid kwam goed van pas toen in 1800 een Engels eskader onder leiding van kapitein-ter-zee Henry Ball in de haven van Batavia opdook, de eilandjes voor de kust vernielde, Batavia drie maanden blokkeerde en sommeerde Java over te dragen aan de Engelsen, die immers handelden namens Willem V.
    De Franse militair Gosson was zo belangrijk voor het voortbestaan van Bataafs Batavia dat hij werd opgenomen in de Raad van Indië. In 1799 sloot gouverneur-generaal Van Overstraten ter bescherming van de kolonie bovendien een kontrakt met de Franse kaperkapitein François le Mesme.
 
 
8 4 Batavia met de eilandjes op de noordkust van Java
 Batavia en de eilandjes op de noordkust van Java (1770)
 
 
Zuid-Afrika, Ceylon, Malakka, Sumatra en de Molukken waren voor de Bataafse Republiek verloren gegaan, maar Java wist zich voorlopig nog te handhaven. Een belangrijke militaire reden hiervoor was vooral het agressieve optreden van generaal Bonaparte in de Middellandse Zee, met name in Egypte (1798/1799).
    Als gevolg van de verstoring van machtsevenwicht door generaal Bonaparte in zuidelijk Europa gaf Londen de Engelse marine in het Verre Oosten opdracht te stoppen met de aanval op Java en terug te keren naar de thuisbasis Europa.
 
 
Napoleon zendt Charles Decaen als zijn vertegenwoordiger uit naar Azië
 
 
Na de succesvolle coup eind 1799 bouwde generaal Bonaparte zijn macht steeds verder uit. In maart 1802 sloot de ‘Consul voor het Leven’ met de Engelsen de vrede van Amiens. De Bataafse Republiek kreeg Kaap de Goede Hoop en de Molukken terug. Tijdens de onderhandelingen tussen de Fransen en Britten ging Ceylon echter verloren. De Bataafse Republiek moest machteloos toezien. De Fransen dwongen bij de Nederlanders het definitieve opgeven van Ceylon af.
De Eerste Consul van de Republiek der Fransen bemoeide zich met alle facetten van het bestuur. In plaats van de oude vergaderingen stelde hij ministeries in met een minister, een dienaar van de Consul, aan het hoofd. Hij benoemde Talleyrand tot minister van Buitenlandse Zaken, Fouché tot minister van Binnenlandse Veiligheid, Berthier, prins van Neufchâtel, tot minister van Oorlog en Denis Decrès, een man met een grote staat van verdienste in de marine tijdens het ‘ancien régime’, tot minister van Marine en Koloniën.
    Voor de zaken in Azië liet Bonaparte zijn oog vallen op Charles Decaen, anno 1769 geboren in Creully bij Caen, Normandië. Decaen had vóór de revolutie dienst gedaan bij de marine en daarna langdurig gevochten aan de Rijn. In het machtsspel tussen Bonaparte en generaal Jean Moreau (1763-1813) had hij voor de winnende partij, die van de Consul, gekozen.
    De Franse historicus Henri Prentout (1867-1933) publiceerde in 1901 een vuistdikke biografie van Charles Decaen.
    Decaen was een beminnelijk en voorzichtig man. Dat waren geschikte karaktereigenschappen voor de militair die Napoleon in Azië wilde detacheren om daar de Franse belangen te behartigen. Op 11 nivôse van het jaar 11 (1 januari 1803) stelde hij hem aan als kapitein-generaal over de ‘Franse bezittingen in Indië’.
 
 
8 5 Charles Decaen afgebeeld op Arc de Triomph in Parijs
Charles Decaen op de Arc de Triomphe in Parijs
 
 
In zijn aanstellingsbrief erkende Bonaparte dat ‘wij geen meesters van de zee zijn, en dat wij nauwelijks mogen hopen op hulp. Het lijkt moeilijk om met een legercorps lang stand te houden tegen de Engelse zeemacht, als we geen bondgenootschappen hebben of een goed steunpunt’. De Engelsen noemde hij een half jaar na Amiens ‘de tirannen van Indië; ze zijn onrustig en jaloers’.
    De Eerste Consul gaf Decaen opdracht om zich voorzichtig op te stellen, onderzoek te doen naar de ontwikkelingen in Azië, en kontakten te onderhouden met die volkeren en vorsten die ‘met het grootste ongeduld het juk van de Engelse compagnie verdragen’.
    Decaen kreeg opdracht te zoeken naar een ‘steunpunt met het karakter van een versterkte plaats, met een haven waar fregatten en handelsschepen beschutting kunnen vinden tegen een overmacht’. Zijn eerste project was zich op ‘zo kort mogelijke termijn van zo’n plaats, Portugees, Hollands of Engels bezit, meester te maken’.
 
Napoleon (consul Bonaparte) sprak zich duidelijk uit over de Bataafse bondgenoten: “Men kan zich niet voorstellen dat wij oorlog voeren met Engeland zonder Holland daarin te betrekken. Een van de eerste zorgen van de kapitein-generaal is [dan ook] zich zeker te stellen van de situatie van de Hollandse, Portugese en Spaanse bezittingen en van de hulpbronnen die zij zullen bieden”.
    Bij een eventuele hervatting van de oorlog en als hij geen nieuwe orders meer kon ontvangen, had Decaen carte blanche en volmacht om zich terug te trekken op Isle de France, Kaap de Goede Hoop, of waar dan ook, zolang dat maar eervol voor de Franse militaire macht was.
 
Op 27 januari 1803 reisde Decaen via Brest naar ‘Frans Indië’. Nog vóór hij daar aankwam was de oorlog inmiddels hervat. Met moeite bereikte hij Isle de France, meldde zich bij de autoriteiten en slaagde erin de eilandengroep voor Frankrijk te herwinnen. Zijn adjudant Barrois stuurde hij naar Parijs om verslag uit te brengen. Barrois kwam een jaar later terug met onder meer een brief van Talleyrand.
    De minister liet Decaen op 21 augustus 1804 enthousiast weten dat hij van de Eerste Consul opdracht had gekregen om een ‘speciale getuigenis van [zijn] achting en welwillendheid’ te sturen: een portret van de Eerste Consul zelf!
   De Bataafse Republiek benoemde C. de Pelgrom tot consul op Isle de France.
 
Kapitein-generaal Decaen had zich daar intussen genesteld en was begonnen zijn opdrachten uit te voeren. Het dikke brievenboek dat Decaen (te vinden in het gemeente-archief van Caen) over zijn activiteiten in Azië en Afrika bijhield begint op 7 oktober 1803 met de beschrijving van zijn eerste actie: een expeditie naar Java.
 
 
8 6 Isle de France
 
Het twaalfde bataillon van J.C. Gosson was bij de vrede van Amiens teruggekeerd naar Isle de France. Decaen besloot Gosson en het restant van zijn bataillon opnieuw naar Java uit te zenden. De voormalige ‘Raad van Indië’ kreeg opdracht om, na tot Frans adjudant-generaal bevorderd te zijn, met zijn troepen ‘een bijdrage te leveren aan de verdediging van Batavia, […] banden van vriendschap te onderhouden tussen de Franse en de Bataafse Republiek alsook de verklaringen van intimiteit die nog moesten bestaan tussen Batavia, Isle de France en Réunion, en hun respectievelijke gouverneurs en administrateurs’ te bestendigen.
    Decaen eindigde zijn missive aan Gosson met: “Ik voeg bij mijn instructies een kopie van het verdrag van vrede en alliantie tussen de Franse en Bataafse natie; enige punten kunnen beter dan de Engelse agressie dienen om onze unie […] en verdragen te consolideren”.
    De actie van Decaen sloot aan op de instructie die hij zelf van Napoleon had ontvangen; door zich te baseren op het Haags Tractaat van 1795 (het gevolg van de Franse militaire inval, waarbij stadhouder Willem V naar Engeland was gevlucht) droeg hij Gosson in feite op de macht in Batavia over te nemen.
 
 
Bataafs-Indië en Isle de France
 
 
Dankzij de Vrede van Amiens in 1802 was het voor de Bataafse Republiek eindelijk weer mogelijk troepen overzee te sturen. Die waren niet alleen nodig ter versterking van de nog aanwezige militairen op Java, maar ook om Kaap de Goede Hoop, de Molukken en andere vestigingen te bemannen. Het Uitvoerend Bewind had al eerder een Frans fregat aangekocht en wapenrustingen en munitie in Versailles aangeschaft. De militairen bestonden voor het merendeel uit deserteurs van Duitse legers. Op advies van Schimmelpenninck, gezant in Parijs, werd La Rochelle aan de Franse westkust gekozen als uitvalsbasis.
    Minister Talleyrand greep de uitzending van de soldaten naar de koloniën aan om de Franse troepen, die Nederland ‘beschermden’, op te voeren. De Fransen steunden het sturen van versterkingen bovendien omdat nieuwe Bataafse troepen in Indië de Britse marine zouden afleiden van de plannen van Napoleon om Engeland binnen te vallen.
 
Johannes Siberg (1740-1817), in die tijd gouverneur-generaal in Batavia, was nog steeds ontevreden over de beperkte versterkingen vanuit Nederland, omdat hij die over zoveel plekken in de archipel moest verdelen. Bovendien had hij grote bedenkingen over de onverwachte komst van het Franse eskader waarmee Decaen zich vanuit Isle de France in Batavia presenteerde.
    Gosson maakte zijn zaak er niet sterker op toen hij op blufferige toon liet weten dat hij persoonlijk door de Eerste Consul gestuurd was, maar dat bij nader inzien niet kon aantonen. De Raad van Indië weigerde de ‘hulp’ aan land te laten komen.
    Toch kwam nog een compromis tot stand: Gosson ging terug naar Isle de France. Maar het grootste deel van de troepen bleef onder leiding van Jauffret op Java. Het Twaalfde Bataljon legde de eed van trouw af aan de Raad van Indië, maar J.A. van der Chijs, landsarchivaris in Batavia, maakte in het veertiende deel van zijn Nederlandsch-Indisch Plakaatboek 1602-1811 melding van, zoals hij het noemde, ‘eene curiositeit op staatsrechterlijk gebied’: Jauffret, commandant van het Franse bataljon, legde op 27 december 1804 in opdracht van Decaen, ‘capitain-generaal der Fransche bezittingen beoosten Cabo de Goede Hoop’, en in het bijzijn van twee leden van de Hoge Regering van Indië, de eed van gehoorzaamheid aan de Franse Constitutie en trouw aan de nieuwe keizer Napoleon af.
 
 
Andere consquenties van de Franse aanwezigheid op Java
 
 
De aanwezigheid van de Fransen op Java had in deze tijd nog allerlei andere consequenties. Een Hollands schip nam vanuit Isle de France kinderen mee die daar ingeënt waren tegen de pokken. Wat moest Java hiermee?
    Jauffret was niet alleen militair maar ook chirurgijn; hij wist ook dit probleem op te lossen.
 
In juni 1804 verlaagde Decaen de invoerrechten op koloniale producten zodat Batavia voordeliger kon exporteren naar Europa via Isle de France. Door de internationale aanwezigheid in Bataafs-Indië was de Nederlandse monopolie-positie van specerijen ondergraven. Bovendien namen de schepen die militairen uit Europa brachten op de terugreis zonder betaling koloniale waren mee, waardoor de waarde van het papieren geld in Indië sterk verminderde. Door de slavenopstand in Santo Domingo en het uitroepen van een zelfstandige staat door Toussaint l’Ouverture zakte de koffieproduktie op het voormalige Franse eiland volledig in elkaar. Santo Domingo was verreweg de belangrijkste koffieproducent voor de westerse wereld.
    De koffie-prijzen in Batavia schoten omhoog. Albertus Wiese, de laatste gouverneur-generaal vóór de komst van Daendels (r. 1805-1808), profiteerde hier niet alleen van, maar bevorderde tevens de aanleg van nieuwe koffieplantages.
    Tijdens het bewind van de Raad van Indië waarbij Wiese de rol van gouverneur-generaal speelde, was er dus sprake van een samenwerking van tussen de Fransen en Nederlanders in Azië. Isle de France (het vroegere Mauritus) was het bestuurlijke en militaire centrum van de Franse aanwezigheid, het vruchtbare Java met enkele eilanden in de omgeving was het middelpunt van landbouw en handel.
 
 
Trafalgar
 
 
Op 21 oktober 1805 leed de Franse marine een grote nederlaag bij Trafalgar in Zuid-Spanje. De Franse historici die de koloniale geschiedenis van deze tijd belichtten (Collet, Prentout, Eymeret) gingen hier unaniem aan voorbij.
    Een uitzondering was Maurice Dupont in de Dictionnaire Napoléon. Dupont citeerde het officiële communiqué uit die tijd, dat er een ‘aantal schepen verloren waren gegaan als gevolg van een zware storm, gevolgd op een wat onvoorzichtig gevecht’, maar concludeerde wel dat de Engelsen hiermee in feite de oorlog gewonnen hadden.
 
 
8 7 zeeslag bij Trafalgar
 
Na de nederlaag van Trafalgar eind 1805 nam de Franse maritime macht steeds verder af, terwijl de Engelsen zich na de hervatting van de vijandelijkheden met de Fransen en hun bondgenoten steeds meer begonnen te roeren.
    In feite bestond de Frans-Indische marine in deze tijd uit slechts drie grote schepen, die vanuit Isle de France opereerden en een operatiegebied hadden dat zich uitstrekte van Kaap de Goede Hoop in het westen tot de Filippijnen en zelfs Mexico in het oosten: Linois op de Marengo, Motard op de Sémillante en Bourayne op de Canonnière. Kapers als Robert Surcouf en zijn broer Nicholas waren een welkome aanvulling.
    Pogingen van de Fransen om de Nederlanders die hulp uit het moederland aanvoerden, eerst Dekker en daarna Hartsinck, in te zetten hadden geen resultaat. Pieter Hartsinck met name verschool zich met grote precisie achter de instructies die hij bij zijn vertrek uit de Republiek had meegekregen.
 
 
8 8b crouf robert
Robert Surcouf, Saint Malo, foto Margaretha Suman, 12 juni 2013
 
 
De Engelse militaire acties in Indië 1806-1807
 
 
In januari 1806, twee maanden na Trafalgar, gaf Jan Willem Janssens, gouverneur van Kaap de Goede Hoop, de Bataafse kolonie voor de tweede maal over aan Groot-Britannië. Een half jaar later doken de Engelsen onder leiding van schout-bij-nacht Edward Pellew (1757-1833) in de Indische wateren op.
    In zijn verslag aan het thuisfront in Europa maakte vice-admiraal Hartsinck melding van de ‘desastreuze positie van de defensie in de kolonie, zowel ter land als ter zee’. In het binnenland was sprake van desertie; zijn schepen, voor zover die nog in een goede conditie waren, hadden onvoldoende bemanning om te kunnen functioneren en zonder versterkingen van landtroepen kon de kolonie volgens hem als verloren beschouwd worden.
    Als commandant van de Bataafse maritieme strijdkrachten wees Hartsinck nog eens op het ‘kleine aantal Franse troepen in deze zeeën’. “Ik heb de kapiteins instructies gegeven om hun schepen bij het naderen van superieure troepen, waartegen ze zich toch niet kunnen weren, maar vast te zetten in de modder en de troepen aan boord, die toch niet bruikbaar zijn voor de verdediging van de kolonie en voor een groot gedeelte bestaan uit inlanders, te redden; door deze maatregel houd ik mij in elk geval helemaal aan mijn instructies, die mij autoriseren het hele escader op te offeren om het eiland Java te behouden, zonder daardoor de eer van de vlag in gevaar te brengen”.
 
Hartsinck beschreef hoe de Engelsen op het eiland Onrust vóór de kust bij Batavia de magazijnen plunderden, het kruitmagazijn opbliezen en alle schepen in brand staken. Ze hadden vrij spel. Terwijl de vijand in volle operatie op zee was, gaf de vice-admiraal aan enkele tientallen officieren toestemming voor ontslag uit de dienst en terug te keren naar het moederland. Wegens [mijn] slechte gezondheid ‘moet ik opnieuw vragen om mijn terugroepen’, aldus de man van wie het Bataafs belang in de Indische wateren afhing.
 
 
Louis Bonaparte wordt koning van Holland
 
 
Hartsinck maakte er in zijn rapportage vreemd genoeg geen melding van, maar in die tijd waren op Java de eerste berichten binnengekomen van de benoeming door Napoleon van zijn broer Lodewijk als koning van Holland.
    Brigadier Sandol Roy, commandant van Batavia, gaf ter gelegenheid daarvan een feest, waarvoor hij door gouverneur-generaal Wiese terecht gewezen werd.
    In die tijd bestond bijna een kwart van de officieren uit Fransen. Jauffret, commandant van het Franse bataljon, bracht daar een dronk uit op de nieuwe koning, maar de Nederlandse kolonel Mahieu beantwoordde die met een toespeling op het verdrijven van Filips II uit Holland. De eerste secretaris van de Raad van Indië, Moorrees, liet vervolgens luidkeels en herhaaldelijk zijn anti-Franse gevoelens blijken met de Engelse kreet “Damn the King!”. Moorrees, zo schreef Wiese in zijn eerste brieven aan de eerste Nederlandse minister van Koloniën Van der Heim, stond als recalcitrant bekend.
    Om een voorbeeld te stellen tegenover de anti-Franse mentaliteit bij veel officieren zette de gouverneur-generaal hem op non-actief.
 
 
8 9 gouverneur generaal Wiese
 gouverneur-generaal Wiese
 
 
Gedurende het jaar 1807 was er sprake van een intensieve briefwisseling tussen Decaen op Isle de France en Wiese op Java. Decaen correspondeerde bovendien met gouverneur Nicholaus Engelhard van Java en Rothebühler, gouverneur van Oost-Java.
    De briefwisseling tussen Decaen en Wiese had als belangrijkste onderwerp de politieke en militaire ontwikkelingen in Europa, de prijzen van de rijst die Franse particuliere handelaren als M.I. Jannaud op Java kwamen ophalen voor de voedselvoorziening van Isle de France, het overleg over de benoemingen door Decaen van Franse militairen op Java, en de verzoeken van Wiese voor het sturen van nieuwe Franse troepen naar Batavia.
 
In het najaar verscheen Edward Pellew opnieuw met een vloot voor de kust van Java. De steeds wanhopiger wordende situatie wordt prachtig gedemonstreerd door de drie brieven die Wiese in december 1807 aan Decaen schreef.
    Op 3 december deed hij nog voorstellen over de prijs en de manier van betalen van de Javaanse rijst (er was immers geen kontant geld meer op Java; derhalve wees hij het voorstel om een wissel op de schatkist van het keizerrijk zonder meer af!).
    Op 15 december meldde hij dat hij diverse Franse militairen een hogere rang gegeven had, vroeg nadrukkelijk om het sturen van nieuwe militairen, en liet weten bereid te zijn om niet alleen de overtocht van die militairen te betalen maar ook nog een extra premie van honderd rijksdaalders voor elke gestuurde soldaat voor zijn rekening te nemen.
    Op 29 december meldde hij aan Decaen dat hij ondanks de economische problemen van Java aan Jannaud had laten weten met alle voorwaarden die deze stelde akkoord te gaan, dat hij nogmaals nadrukkelijk verzocht om soldaten, niet alleen Franse officieren, maar ook vijf- of zeshonderd creolen, tegen welke prijs ook.
 
Intussen vielen de Engelsen ongehinderd de havens van Soerabaja en Grissee binnen en gingen daar zelfs aan land. Hartsinck had toestemming gekregen om Java te verlaten, maar de bevelen die hij al in 1806 gegeven had, werden blijkbaar nog steeds uitgevoerd. De nieuwe onderdanen van koning Lodewijk Napoleon lieten in ruil voor lijfsbehoud toe dat de laatste schepen van de vloot in de haven in brand gestoken werden. De Hollandse marine op Java bestond niet meer.
    Op 30 december 1807 schreef Wiese in een PS van zijn brief van 29 december aan Charles Decaen: “De Engelsen hebben Grissee verlaten!”.
 
 
Daendels, redder namens Frankrijk?
 
 
Raadpensionaris Schimmelpenninck had begin 1806 nog een poging gedaan om Java van nieuwe militairen te voorzien. Hij rustte een divisie van 800 man uit. Geld had hij niet, maar via particuliere financiering (het handelshuis Wils & Co. in Amsterdam) wist hij de benodigde tweeëneenhalf miljoen gulden toch op te brengen.
    De expeditie bleef thuis, omdat de Fransen er hun veto over uitspraken. Het idee bestond om één sterke man naar Batavia te sturen, een man met een onwrikbaar en ondernemend karakter, die een omwenteling op Java kon invoeren en ten uitvoer brengen. Op 1 januari 1808 kwam Herman Willem Daendels aan.
 
Harry Knipschild
30 maart 2018
 
Bovenstaand artikel is gebaseerd op het onderzoek dat ik in 1999 en 2000 gedaan heb ten behoeve van mijn afstudeerscriptie als historicus in 2000 bij de Universiteit Leiden, ‘Een Bataaf in Batavia, 1808 – 1811. Herman Willem Daendels en zijn Franse connectie’. De scriptie bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek te Leiden, met tal van verwijzingen naar literatuur en archief-bronnen (Den Haag, Parijs, Caen).
 
Literatuur
 
Chijs, J.A. van der, Nederlandsch-Indisch Plakaatboek 1602-1811. Veertiende deel 1804-1808, Batavia/Den Haag 1895
Collet, Octave J.A., L’ile de Java sous la domination française. Essai sur la politique coloniale de la monarchie et de l’empire dans la malaisie archipélagique, Brussel 1910
Cordier, Henri, Deux documents inédits. Tirés des papiers du général Decaen, Leiden 1900
Eyck van Heslinga, Elisabeth Susanna van, Van Compagnie naar koop­vaardij. De scheepvaartverbindingen van de Bataafse Republiek met de koloniën in Azië 1795-1806, Amsterdam 1988
Eymeret, Joël, ‘Les archives françaises au service des études indonésiennes: Java sous Daendels (1808-1811), in Archipel, 1972
Eymeret, Joël, ‘L’administration napoléonienne en Indonésie’, in Revue Française d’Outre-Mer, Parijs 1973
Haan, F. de, ‘Jacobijnen te Batavia’, in Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde, Batavia/’s Hage 1899
Lauts, Geschiedenis van de veroveringen der Nederlanders in Indië tot en met het jaar 1811, deel II, Kampen
Mendels, Isidore, Herman Willem Daendels vóór zijne benoeming tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1762-1807), Den Haag 1890
Paulus, J., Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië, Den Haag/Leiden 1917
Prentout, Henri, L’Ile de France sous Decaen 1803-1810. Essai sur la politique coloniale du Premier Empire et la rivalité de la France et de l’Angleteree dans les Indes Orientales, Parijs 1901
Rhede van der Kloot, M.A. van, De gouvernerneurs-generaal en commissarissen-generaal van Nederlandsch-Indië 1608-1888 historisch-genealogisch beschreven, Den Haag 1891
Schama, Simon, Patriotten en bevrijders. Revolutie in de Noordelijke Nederlanden 1780-1813, 1989
Schiff, D.W., ‘De koloniale politiek onder den raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck’, in Bijdragen tot de taal- land- en volkenkunde, Amsterdam 1865
Schutte, G.J., De Nederlandse Patriotten en de koloniën. Een onderzoek naar hun denkbeelden en optreden 1770-1800, Groningen 1974
Tombe, Charles, Voyage aux Indes orientales pendant les années 1802 à 1806, Parijs 1810
Tulard, Jean (red), Dictionnaire Napoléon, 1987
  • Hits: 13727

2 - Herman Willem Daendels en de revolutie in Nederland (1795) deel 1

 1 1 Daendels
Daendels
 
In de komende twee artikelen ga ik eerst heel kort in op revoluties en de ideeën van de Verlichting. Vervolgens de eerste activiteiten van Herman Willem Daendels en daarna zijn rol bij het tot stand komen van de Bataafse revolutie in Nederland in januari 1795. Hieronder deel een.
 
Elke dag is de wereld weer een beetje anders dan de dag ervoor. In veel gevallen merk je er weinig of niets van. De media besteden veel aandacht aan incidenten (soms ‘anecdotes’) en laten achterwege wat later van groot belang lijkt te zijn geweest.
   Soms gaan de veranderingen zo snel dat er sprake is van wat een revolutie genoemd wordt: een versnelling in de veranderingen. Grote revoluties zijn die in Rusland (1917), het tsarenrijk dat door het ingrijpen van Lenin c.s. veranderde in een communistische staat. Begin 1933 wonnen de nationaal-socialisten in Duitsland de verkiezingen. In 1979 wist imam Khomeiny in de oliestaat Perzië de macht van de shah over te nemen en het land om te zetten in een staat die voortaan op islamitische basis opereerde. Op 4 juli 1776 verklaarde een groepje onderdanen van de Engelse koning George III dat ze deze niet meer als zodanig erkenden. De Verenigde Staten van Amerika waren geboren, al duurde het nog zeven jaar van veel vechten voordat Londen dat in 1783 bij de vrede van Parijs wilde erkennen.
 
 
Versailles, 19 september 1783
 
 
Aan het einde van de achttiende eeuw, het tijdperk van de Verlichting, kwamen er heel wat nieuwe ideeën boven water. De ‘Amerikanen’ vonden het niet meer vanzelfsprekend dat ze gehoorzaamheid verschuldigd waren aan een vorst in Londen, helemaal aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. In Frankrijk waren de mensen eveneens op andere gedachten gekomen.
   In zijn boek Burgers. Een kroniek van de Franse Revolutie (1989) maakte Simon Schama melding van een bijzondere gebeurtenis, die plaatsvond op 19 september 1783. Bij het paleis van Lodewijk XVI, koning van Frankrijk, in Versailles, werd een enorme luchtballon opgelaten. In een mand zaten een schaap, een eend en een haan. Alle drie overleefden de acht minuten durende vlucht in de ‘ruimte’ boven Versailles. Er waren ruim 100.000 toeschouwers om deze sensatie mee te maken. De meesten van hen waren helemaal uit Parijs gekomen.
   Zoals bij het rockfestival van Woodstock in 1969 waren alle hoofdwegen (naar het paleis) verstopt – niet met Amerikaanse auto’s maar met koetsen. Simon Schama vergeleek hen met pelgrims die de ‘gebeurtenis van de eeuw’ niet wilden missen.
   Hoewel wetenschapper Montgolfier het experiment – een ballon die op gas de lucht in ging – in de tuin van het koninklijk paleis opgezet had, was er sprake van een nieuwe situatie. Alle mensen die toekeken waren in zekere zin gelijk. Of je nou koning, boer, keukenmeid of hoffunctionaris was, de een zag hetzelfde wonder aan zich voorbij trekken als de ander. De koning was niet beter dan wie ook. Een wetenschapper was de held.
   Drie maanden later werd Pierre Montgolfier tot de adelstand verheven. Was dat niet een achterhaald gebaar?
 

2 1 luchtballon spiegelen
Belangrijke gebeurtenis in Versailles
 
 
Herman Daendels, een jonge jurist
 
 
 
Als gevolg van dat soort nieuwe ideeën broeide het in de wereld, Nederland niet uitgezonderd. Een jonge inwoner van Hattem, in Gelderland, was Herman Willem Daendels, op 21 oktober 1762 geboren. Hij was dus 20 jaar toen die gasballon in Frankrijk de lucht in ging.
   Mede omdat hij van goede afkomst was, kon Herman studeren, met name rechten op de universiteit van Harderwijk. Op 10 april 1783 promoveerde hij tot doctor na de verdediging van zijn proefschrift De compensatione.
   Tijdens de colleges kreeg de jonge rechten-student de theorie van de Verlichting met de paplepel ingegoten door hoogleraar Pieter Roscam. In zijn standaardwerk (uit 1910) over de Hattemer schreef Isidore Mendels: “De lessen van de hoogleraar zullen veel bijgedragen hebben om in Daendels die geest van ontevredenheid met het bestaande te wekken, waarmee dikwijls het beste deel van de natie vervuld was.
   De hogescholen wakkerden de zucht naar verandering aan. Daar legde men zich bij voorkeur toe op het natuurrecht. Daar verdiepte men zich in de stelsels der speculatieve Franse wijsgeren. Men oefende kritiek, naar het voorbeeld van de mannen van de Grote Encyclopedie [Diderot en d’Alembert]. Men keerde terug tot de oorsprong van maatschappij en regeringsvorm en bouwde zich een ideaalstaat”. [M 3]
   De aanhangers van de nieuwe ideeën gingen als ‘patriotten’ door het leven. Ze wilden bovendien de ‘vrijheid’ terugbrengen die verloren gegaan was in ons land.
 
 
Daendels in opstand tegen stadhouder Willem V
 
 
Terug in Hattem paste de jonge doctor toe wat hem in Harlingen bijgebracht was. In navolging van zijn vader probeerde hij op lokaal niveau een rol in de politiek te spelen. Vergeefs. Van democratie was geen sprake. Stadhouder Willem V, die in Gelderland veel macht verworven had, benoemde een ander in Hattem.
   Herman kwam in verzet en wist heel wat stadgenoten met zich mee te krijgen. Willem V greep in. Begin september 1786 stuurde hij troepen zodat zijn tegenstanders, inclusief Daendels, weinig anders konden doen dan ontsnappen naar de nabijgelegen provincie Overijssel. In 1787 moest Herman zelfs het land uit vluchten toen Pruisische troepen (na het incident bij Goejanverwellesluis) Willem V en zijn echtgenote, de Pruisische prinses Wilhelmina, te hulp schoten en de patriotten verjoegen.
 
 
2 2 aanval op Hattem
 Illustratie uit boek Peereboom
 
Daendels in Frankrijk
 
 
Samen met Aleida van Vlierden, negentien jaar, met wie hij in het huwelijk getreden was, vestigde Herman zich in het uiterste noordwesten van Frankrijk. In 1788 vernam hij dat men hem in Gelderland voor eeuwig verbannen had, op straffe des doods als hij het ooit mocht wagen terug te komen. Van Willem V had Herman dus niets te verwachten.
   In Frankrijk brak in 1789 de revolutie uit. Koning Lodewijk XVI raakte zijn macht kwijt. Op 21 januari 1793 kwam hij zelfs onder de guillotine terecht. Voortdurend waren er machtswisselingen met vaak dodelijke afloop (of verbanning naar verre landen met een ongezond klimaat) voor de verliezers. Frankrijk raakte mede daardoor in oorlog met de omringende landen. Engeland was sowieso de aartsvijand.
   Zoals vaak bij revoluties voerden de nieuwe machthebbers een expansieve politiek. Hun republikeinse idealen wilden zij over de grenzen ingevoerd zien te krijgen. Bovendien hadden de Fransen van alles nodig: voedsel, soldaten en geld. Bondgenoten konden daar goed bij helpen.
  
Sommige Nederlandse patriotten, die in Frankrijk zaten toen de revolutie uitbrak en nu ‘Bataven’ genoemd werden, wilden wel een rol spelen in het nieuwe Frankrijk. Ze hoopten dat de revolutionaire ideeën ook in eigen land overgenomen zouden worden en zij het er voortaan voor het zeggen zouden krijgen. Daendels was zo iemand. Hij was bereid om met de Fransen mee te vechten.
   Zonder dat hij een militaire opleiding ontvangen had, sloot Herman zich aan bij het Franse leger. Op zijn instigatie werd in augustus 1792 een Bataafs legioen opgericht, dat bestond uit 1822 man en 500 paarden. Als luitenant-kolonel in Franse dienst kreeg hij op 12 oktober van dat jaar het commando over het vierde bataljon infanterie.
 
 
Officier in Franse krijgsdienst
 
 
Franse troepen – de Bataafse soldaten waren er een onderdeel van - trokken in noordelijke richting. Mendels: “Daendels was vol hoop dat binnenkort de slag zou vallen, die aan zijn vaderland de vrijheid moest hergeven. Onder generaal Charles-François Dumouriez hielp hij op 6 november 1792 de overwinning bij Jemappes bevechten, welke zegepraal België in de macht der Fransen bracht”. [M 30] Ook de Schelde, door de Nederlanders om economische redenen bewust geblokkeerd voor de Belgen, kwam in Franse handen.
   De eclatante overwinning van de revolutionairen – ten westen van Bergen (Mons) in België – vergrootte het Franse grondgebied in het noorden. De troepen hadden verder kunnen doortrekken en het in hun ogen rijke Holland aanvallen. Maar dat deden ze niet. Het ontbrak Parijs aan een consequente buitenlandse politiek. Ruim een jaar later schreef Daendels: “Verleden jaar zouden onze vrienden na de bataille van Jemappes zeer gemakkelijk ons vaderland hebben kunnen verlossen”. [M 30]
   De terechtstelling van Lodewijk XVI op 21 januari 1793 gooide roet in het eten. Heel Europa beschouwde Frankrijk als een vijandige staat die aangevallen moest woden. De Franse troepen die in België gelegerd waren, kwamen in het defensief.
 
 
2 3 slag bij Jemappes 6 november 1792
Slag bij Jemappes, 6 november 1792
 
 
Eerste aanval op Nederland
 
 
Dumouriez deed desondanks nog een inval verder naar het noorden. “Op 17 februari 1793 trokken de Fransen de Nederlandse grenzen over. Achtereenvolgens vielen Breda, Klundert en Geertruidenberg in hun macht. Begin maart werden aanstalten gemaakt het Hollands Diep over te steken”. [M 36] Op 22 februari sommeerde Daendels namens Dumouriez vanuit Oudenbosch aan de commandant in Willemstad om zich met zijn garnizoen over te geven. Anders zou iedereen, tot de laatste man ‘gemassacreerd’ worden, dreigde hij. Na de val van de vestingstad Bergen op Zoom (op 25 februari) vond de overgave inderdaad plaats.
   De Fransen zagen van de tocht over het Hollands Diep af omdat meer dan honderd schepen de weg naar het noorden versperden. Ondanks dat kreeg Daendels bevel van Dumouriez om met acht honderd man een aanval op het eiland Dordrecht uit te voeren. De Bataafs-Franse aanvallers werden echter met verlies teruggedreven door de troepen van Willem V, die door diens bondgenoten, de Engelsen, kort te voren met tweeduizend man versterkt waren. Van nieuwe noordelijk militaire activiteiten kwam in 1793 niets meer. De Fransen kwamen dat jaar internationaal in moeilijk vaarwater.
 
 
Overleg met Amsterdam
 
 
Bij de opzet van het Bataafse legioen was vastgelegd dat alle kosten om Nederland te ‘bevrijden’ later verrekend zouden worden. Het was dus zaak, besefte Daendels, om zo veel mogelijk zelf te doen. Achterover blijven wachten op de komst van de Fransen was volgens hem niet gewenst. Daendels zal zich er ongetwijfeld in verdiept hebben hoe hard de Fransen omgingen met andere regio’s die ze, dichter bij huis, onder hun controle wisten te brengen.
   De Nederlandse militair in Franse dienst wist contact op te nemen met een revolutionair comité dat vanuit Amsterdam opereerde. Mendels: “Zijn bedoeling was duidelijk. De omwenteling moest van Holland zelf uitgaan. In geen geval mochten de Fransen als overwinnaars binnenkomen”. [M 37]
   Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Na de verdrijving van de patriotten in 1787 hadden Willem V, zijn aanhangers en bondgenoten (Engelsen, Pruisen) het in Nederland nadrukkelijk voor het zeggen.
   In zijn recente biografie van Cornelis Kraijenhoff, die samen met Daendels in Harderwijk de patriotse ideeën had opgesnoven, maakte auteur Wilfried Uitterhoeve duidelijk dat de aanhangers van de nieuwe politieke ideeën in Amsterdam weinig in te brengen hadden. Hun sociëteit Doctrina et Amicitia in de Kalverstraat werd nauwelijks getolereeerd door de autoriteiten. In het openbaar praten over politiek was al helemaal uit den boze.
   Namens het revolutionair comité liet Willem van Irhoven van Dam dan ook op 31 januari 1794 weten dat een revolutie van binnenuit geen schijn van kans had. Zonder hulp van de Fransen zou die nimmer iets goeds opleveren. “Holland moet overmeesterd worden. De Republiek [Nederland] moet gewapenderhand veroverd worden. En dat is nog niet genoeg. Wanneer wij na een invasie aan ons zelf overgelaten worden om een vrije regering te vormen, zal er nooit iets goeds verricht worden. De Franse wapens moeten tegelijk met de overwinning ook de opzet van de revolutie meebrengen en invoeren”. [M 37]
   Daar kon Herman Willem Daendels het voorlopig mee doen.
 
2 4 boek Kraijenhoff
 
 
Daendels speelt een rol bij het oprukken van de Fransen
 
 
Tijdens de militaire operaties van de Fransen in het westen en midden van de Oostenrijkse Nederlanden (België) wist Daendels zich positief te onderscheiden. Bovendien communiceerde hij zorgvuldig met de Franse autoriteiten. Florent Guyot, vertegenwoordiger van Parijs bij de troepen, evenals generaal Souham, lieten zich derhalve in lovende zin over hem uit. De voormalige jurist Daendels had tactisch inzicht en lef in de strijd. Hij zorgde goed voor de soldaten die aan hem waren toevertrouwd. Aan wapens en voedsel was bijvoorbeeld geen tekort. Zo kon hij tevens de discipline er goed in houden. Van wanorde en plunderingen was bij hem geen sprake. De ene overwinning volgde op de andere in de maanden februari-maart 1794.
   De regering in Parijs, het Comité de Salut Public, was zo tevreden over de militaire rol die Daendels in Franse gelederen speelde, dat hij in april 1794 als brigade-generaal aangesteld werd. Een tijd lang voerde hij het bevel in Oostende.
   Op 26 juni 1794 leden de Oostenrijkers een essentiële nederlaag bij Fleurus (ten noordoosten van Charleroi). België werd door de Fransen geannexeerd. Zoiets kon Nederland, dat na Fleurus open lag, ook overkomen. Mendels: “Kwamen de Fransen als overwinnaars in een veroverd gebied, dan stond Holland een gelijk lot te wachten als nu België trof. Het behoud der onafhankelijkheid zou dan ten minste twijfelachtig zijn”. [M 45]
   In Frankrijk kwam er in juli een einde aan het leven van Robespierre. Op de 28ste maakte de guillotine een einde aan zijn leiderschap van het Comité de Salut Public. In Frankrijk kon het bestuur, en daarmee ook de politiek, snel veranderen. Ook als generaal moest je op je hoede zijn. Menige legerleider werd ingerekend als hij niet deed wat van hem verlangd werd. Zo kwam generaal Alexandre de Beauharnais eveneens in juli 1794 onder de guillotine terecht.
 
2 5 executiie van Robespierre
Robespierre, kort na zijn overlijden op 28 juli 1794
 
 
Revolutionair Comité in Amsterdam
 
 
Op 7 augustus 1794 legde Daendels' secretaris Gerrit Paape in Oostende vast: “Daendels is vol ijver en vuur om de grote zaak voort te zetten”. De brigade-generaal had echter twee petten op. “Hij zal het plan moeten volgen, waardoor hij én de belangen van de Franse republiek én de belangen van zijn vaderland op de beste en voordeligste manier bevorderen zal”. [M 46]
   Het Nederlandse revolutionair comité was op 31 juli 1794 bij elkaar gekomen in de Haarlemmerhout. Besloten werd een deputatie te zenden naar de Franse volksvertegenwoordigers. Op 15 augustus ontving Daendels Gogel en Irhoven van Dam in Frans Antwerpen. Nog dat zelfde jaar zou Nederland van het stadhouderlijk bestuur ‘bevrijd’ kunnen worden als er maar snel militair ingegrepen werd. En dan te bedenken dat Nederland van strategisch belang zou zijn voor de strijd tegen de Engelsen.
   Daendels toonde zich bereid naar Parijs af te reizen voor overleg op hoog-politiek niveau. Op 1 september 1794 kwam hij terug in België. Het was feest bij de aanhangers van een mogelijke revolutie. De orders voor het voortrukken waren inmiddels gegeven.
   Pichegru had opdracht gekregen opnieuw Breda aan te vallen en dan verder over de Maas op te rukken. “La nation française offre loyauté et protection au parti patriote”, las Daendels in een verklaring van Lacombe, vertegenwoordiger van Parijs bij de troepen. Het doel was de bevrijding van Amsterdam. [M 47] De Fransen hadden al duidelijk gemaakt dat er dan een verklaring moest worden opgesteld waarin de vriendschap met Frankrijk benadrukt werd.
 
Bij het oprukken naar het noorden waren twee Franse legers betrokken. In het oosten werd Maastricht op 4 november 1794 ingenomen door de troepen van Jean-Baptist Kléber. De stad aan de Maas, die in 1629 door Frederik Hendrik voor Holland was ingenomen en als een soort kolonie bestuurd was, werd samen met de (gedeeltelijk in de Oostenrijkse Nederlanden liggende) omgeving door Frankrijk ingelijfd en uitgeroepen tot hoofdstad van het Franse departement Meuse Inférieure.
 
 
Verovering van Den Bosch
 
 
2 6 Pichegru
Pichegru
 
 
Daendels was opnieuw actief in het westen. Na tal van schermutselingen in België in 1794 trokken de troepen, waarover hij de leiding had, door naar Den Bosch, de stad die evenals Maastricht sinds 1629 tot de zogenaamde generaliteitslanden behoorde, en wisten die in een verrassend korte tijd tot overgave te dwingen. Heel wat Bossenaren waren blij dat ze eindelijk van de Hollanders verlost waren.
   Legerleider Jean-Charles Pichegru was verbaasd over de gang van zaken. Mendels: “Op 27 sepember 1794 verscheen Daendels met een kleine schaar Franse troepen voor fort Crèvecour en begon het met lichte veldkanonnen te beschieten. Spoedig liet de verdediger, overste Tiboel, de witte vlag hijsen en capituleerde. Het zwaar geschut dat Daendels er vond werd nu tegen Den Bosch gericht. Op 10 oktober gaf de prins van Hessen-Philipsthal de stad over”. [M 49]
   Met de verovering van deze belangrijke stad had Daendels het helemaal gemaakt, dacht hij. Zijn bondgenoten in Amsterdam liet hij weten dat de definitieve doorbraak nog maar een kwestie van tijd was.
   Als overwinnaar overschatte hij zijn positie. Na de terechtstelling van Robespierre was er bovendien verwarring in het Parijse machtscentrum. Dat had consequenties voor het optreden van de Franse troepen in Nederland. Er werd pas op op de plaats gemaakt.
   Een aanhanger van stadhouder Willem V, de jurist Caspar van Breugel, maakte van de gelegenheid gebruik om met de aanvallers in onderhandeling te treden. Van Breugel uitte zich positief over zijn politieke tegenstander. Hij noemde Daendels ‘hoffelijk, ernstig en bescheiden’. Van wraakzucht was, constateerde de jurist, bij de Nederlander in Franse dienst geen sprake. “Zijn doel was alleen de rust en het geluk van het Nederlandse volk te verzekeren. Grootheid begeerde hij niet. Wanneer de revolutie eenmaal voltooid was zou hij niets liever willen dan in zijn geboorteplaats Hattem stil te gaan leven en daar in vrede zijn aardappelen te poten”. [M 50]
 
 
De proclamatie van Daendels
 
 
De onderhandelingen leverden niets op. De Hattemer voelde zich opnieuw opgejaagd. Daendels liet zijn Nederlandse belangen nu duidelijk prevaleren boven die van Franse militair. Wellicht was hij behalve overmoedig ook gefrustreerd door weer een stilstand in de strijd. Op zijn 32ste verjaardag, 21 oktober 1794, stelde hij een proclamatie op en stuurde die in gedrukte vorm in een oplage van honderden exemplaren naar het gebied waaruit de autoriteiten hem zes jaar eerder voor eeuwig verbannen hadden. Al zijn gedachten en gevoelens zaten erin.
   “Daendels, generaal majoor (van de brigade) bij het Franse leger, aan zijn Gelderse en Overijsselse landgenoten! Ontwaakt waarde landgenoten. De tijd is gekomen dat wij ons zelf moeten verlossen van de slavernij waaronder het land zo lang gezucht heeft.
   Aarzel niet de wapens op te pakken. Ontdoe u van uw drosten, hoofdschouten, rechters, ambts-jonkers, schouten, collecteurs, pachters en andere beulen en bloedzuigers. Gelderse en Overijsselse jongens zoals ik, die onder Franse leiding het kunstje van de oorlog geleerd hebben, staan klaar. U zult binnenkort zien hoe die mooi-gepoederde officiertjes en soldaten [aanhangers van de prins van Oranje] op de loop gaan voor boerenjongens en in hun boerenkielen”.
   De Franse Nederlanders hadden heel wat te bieden legde Daendels vast. Vanuit Nederland waren hun miljoenen guldens overgermaakt. “Straks kunnen wij iedere man 35 Hollandse stuivers per week geven”. Aan goede wapens geen gebrek in het Franse leger. “Wij hebben er reeds vele duizenden en het nodige kruit en lood”.
 
 
2 7 de vijand
 De vijand: stadhouder Willem V, zijn familie en aanhangers (boek Koch)
 
 
In de magazijnen van de aanhangers van Willem V zou nog wel meer te vinden zijn. Daendels gaf nauwkeurige aanwijzingen. “Begin maar met jachtgeweren, met pieken, hooivorken of ander lang en scherp gereedschap. Formeer compagnieën van 124 man en kiest voor aanvoerders [kapiteins]. Dat hoeven niet de rijkste mannen te zijn (die het mooist gekleed zijn en/of het beste praten kunnen) maar diegenen die het meest geschikt zijn voor de strijd”.
   Daendels keek alvast vooruit. Het vechten zou maar even duren. “Wees niet bang dat u jaren soldaat moet blijven. Niemand hoeft langer de wapens te dragen dan de zaak het vereist, dat wil zeggen totdat Oranje met zijn ‘vergulde’ knechten het land uit zijn”. Bovendien beloofde de Geldersman in Franse dienst dat hij voor deskundige bevelhebbers zou zorgen, ‘die de oorlog kennen’.
   Daendels beloofde ook voedsel aan de opstandelingen: “Anderhalf pond brood en een half pond vlees per dag, zoals ook de Franse vrijwilligers [in het leger] hebben”.
  
Als iedereen een beetje meewerkte zag de toekomst er prachtig uit. “Hoe gelukkig zullen wij zijn als ons land gezuiverd is van al dat adellijk en aristocratisch ongedierte. Als er geen drostendiensten [herendiensten] meer zullen zijn. Als ieder vrij zal mogen jagen en vissen. Als de belastingen niet meer voornamelijk door de armen opgebracht moeten worden. Als ons land geregeerd zal worden door brave burgers en boeren, die door algemene stemmen gekozen zullen worden”.
   De bewoners van diverse steden sprak hij persoonlijk aan, maar in het algemeen riep Daendels op: “Toon aan dat er nog Gelders bloed door uw aderen stroomt. Wacht vooral niet tot de Fransen u vrij komen maken. Want iedere rechtschapen Nederlander zal met mij wensen dat wij zelf, met de wapens in de vuist, onze rechten terug krijgen. Dan kunnen wij onze bondgenoten, de Fransen, tonen dat wij niet zo verachtelijk zijn als Willem V ons heeft afgeschilderd”.
 
De inwoners van Gelderland en Overijssel die, verklaarde Daendels vanuit Den Bosch, zo’n voortreffelijke rol hadden gespeeld in patriottentijd (1786-1787) moesten zich haasten. “Want het gewenste ogenblik is daar en moet niet verloren worden.
   Daendels, de banneling, kwam er zelf aan, schreef hij op zijn 32ste verjaardag, met een groot aantal vrijwillgers uit de onlangs veroverde stad Den Bosch. “Ik zal mij in korte tijd bij u voegen, met enige duizenden Bossenaren, die wij op dit moment aan het werven zijn. Van de vertegenwoordigers van het Franse volk heb ik al verlof gekregen om mij voor een paar maanden los te maken van het Franse leger”.
   In Franse stijl eindigde Herman Willem Daendels zijn proclamatie: “Groeten en broederschap! Lang leve de vrijheid en onze onvervreemdbare rechten”. [M 53-55]
   Het was 21 oktober 1794 – maar ook 30 Vendemiaire in het derde jaar van de Franse republiek...
 
In het tweede deel van dit artikel zal ik behandelen hoe de Nederlandse revolutie zich in de maanden daarna, november 1794 – januari 1795, metterdaad voltrok.
 
Harry Knipschild
2 juli 2016
 
De citaten zijn afkomstig uit het standaardwerk van Isidore Mendels. Ik heb ze, zo nodig, bewerkt en hertaald.
 
Literatuur
 
Isidore Mendels, Herman Willem Daendels vóór zijne benoeming tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1762-1807), Den Haag 1890
Simon Schama, Burgers. Een kroniek van de Franse Revolutie, 1989, Amsterdam
F. Peereboom, H.A. Stalknecht (redactie), Herman Willem Daendels (1782-1818). ‘Een gulhartig Geldersman, even zo vif als buspoeder’, Kampen 1989
Francien van Anrooy, ‘Herman Willem Daendels (1762-1818)’, in Francien van Anrooy (e.a., redactie), Herman Willem Daendels 1762-1818. Geldersman – patriot – jacobijn – generaal – hereboer – maarschalk – gouverneur. Van Hattem naar St. George del Mina, Utrecht 1991
Harry Knipschild, Een Bataaf in Batavia, 1808 – 1811. Herman Willem Daendels en zijn Franse connectie, Leiden 2000
Wilfried Uitterhoeve, Cornelis Kraijenhoff 1758-1840. Een loopbaan onder vijf regeervormen, Nijmegen 2009
Annie Jourdan, ‘Buitenbeentje tussen de zusterrepublieken. De Bataafse Republiek in internationaal perspectief’, in Frans Grijzenhout, Niek van Sas, Wyger Velema (redactie), Het bataafse experiment. Politiek en cultuur rond 1800, Nijmegen 2013
Jeroen Koch, Koning Willem I, Amsterdam 2013
  • Hits: 9784

4 - Herman Willem Daendels niet naar Oost-Indië (in 1799)

 1 1 Daendels
 
In december 2014 stapten Greetje en ik in Brussel op de trein naar Londen. Via Lille en Calais belandde ik in de tunnel die onder het Kanaal gegraven en op 6 mei 1994 geopend was. Begin jaren negentig hadden we zelf het graven nog in bedrijf kunnen zien.
   Helemaal ongemerkt ging de tocht niet. Op het station van Calais stonden bewapende militairen paraat om eventuele ongewenste vreemdelingen te weren. Enkele minuten later bevond ik mij op ongeveer 40 meter onder het wateroppervlak. Na 23 minuten kwamen we uit in Groot-Brittannië, een bijzonder stukje van Europa.
   Charles de Gaulle verzette zich in de jaren zestig tot de toetreding van het land tot de ‘Europese Unie’. Volgens hem hoorde het niet bij het Europa zoals hij, president van Frankrijk, het zag. De Britten hebben zelf ook altijd een zekere reserve behouden. Als zij over Europa spreken bedoelen ze vaak alleen het Europese continent. Om in Engeland te kunnen betalen moest je in 2014 euro’s omwisselen in Britse ponden. Het verkeer rijdt er links. Dit jaar heeft een meerderheid van de Britse bevolking zich uitgesproken vóór uittreding uit de Europese Unie.
 
 
Frankrijk versus Groot-Britannië
 
 
4 1 Franse plan voor Kanaal tunnel
Franse plan voor Kanaal-tunnel
 
 
Plannen om de twee delen van Europa met elkaar te verbinden dateren al van honderden jaren geleden. De Franse mijn-ingenieur d’Albert Mathieu-Favier had een aantal ideeën rond 1800 uitgewerkt. Omdat het land regelmatig met de Britten in oorlog was kwam er van graven niets. Hoe moesten militairen tegen elkaar vechten in zo’n geval?
   In de achttiende eeuw stonden de Fransen en Britten regelmatig tegenover elkaar. Frankrijk hielp de Amerikaanse strijders voor onafhankelijkheid (1776/83) met militairen om zich los te maken van het Verenigd Koninkrijk. Na de terechtstelling van koning Lodewijk XVI in 1793 kwamen de twee Europese grootmachten opnieuw met elkaar in botsing.
 
 
Nederland onder Franse hegemonie
 
 
De Frans-Nederlandse militair Herman Willem Daendels (1762-1818) speelde een niet-onbelangrijke rol. Evenals heel wat andere tegenstanders van stadhouder Willem V was hij zijn vaderland in 1787 ontvlucht. Als generaal van een soort vreemdelingenlegioen (Bataafse brigade) trok Daendels terug naar Nederland om het land te bevrijden en hervormen. Zijn opzet lukte. Op 18 januari 1795 kwam er een einde aan het stadhouderlijk bewind.
   Britse troepen onder aanvoering van de hertog van York waren in 1794 vergeefs actief in ons land geweest om de aanval vanuit het Franse zuiden te weren.
 
De Franse revolutionairen konden de Nederlanders goed gebruiken in hun strijd tegen de Britten. Bij het verdrag van Den Haag (17 mei 1795) werd vastgelegd dat het nieuwe Nederland (Bataafse Republiek) voortaan eeuwig bevriend was met de Fransen.
   Die vriendschap was niet vrijblijvend. Het onafhankelijk verklaarde Nederland moest erkennen dat de Fransen het voortaan in Nederland voor het zeggen hadden. Vastgelegd werd dat Nederland en Frankrijk gezamenlijk zouden vechten tegen de Britten, tot voor kort juist ‘onze’ bondgenoten. De militaire samenwerking was defensief, maar ook offensief.
   De nieuwe Bataafse staat was dus verplicht mee te doen in de oorlog. Bovendien werd de republiek opgelegd om de blijvende huisvesting van 25.000 Franse militairen in ons land toe te staan, ja zelfs te betalen.
 
 
Franse aanval op Ierland
 
 
De Fransen dachten een mooie troef te hebben in de strijd tegen de Britten. Groot-Britannië was niet zo ‘verenigd’ als uitgedragen werd. De Engelsen waren Ierland in de zestiende eeuw binnengevallen en hadden het land steeds verder gekoloniseerd. Aan het einde van de zeventiende eeuw maakte ‘onze’ stadhouder Willem III als koning van Engeland een einde aan een Ierse opstand. De Ieren hadden steeds minder macht in eigen land.
   Omdat de vijand van je vijand je beste vriend kan zijn besloten de Fransen een inval in Ierland te doen. Met hun hulp zouden de Ieren de Britten in de rug kunnen aanvallen en in elk geval Britse troepen in het land noodzakelijk maken. Een nieuwe Ierse bevrijdingsopstand zou derhalve een mooie zet kunnen zijn in de Frans-Britse oorlog aan het einde van de achttiende eeuw.
   De Ierse politicus Theobald Wolf Tone speelde het spel mee. Een Franse invasie in Ierland, schreef R. McDowell in The Course of Irish History, ‘zou volgens hem kunnen rekenen op een vriendelijke ontvangst’. Wolf Tone stak over naar het Europese continent. Hij wist Lazare Carnot, een van de leden van het Directoire, de toenmalige Franse regering, te overtuigen voor zijn Ierse vrijheids-ideeën.
   De Fransen besloten in te grijpen. Onder leiding van generaal Hoche stuurde Parijs in december 1796 een vloot met 14.000 soldaten naar het eiland.
   Het Franse militaire optreden liep slecht af. McDowell: “Winterse stormen braken los toen de Fransen uitzeilden. De vloot viel helemaal uit elkaar. Het schip van Hoche kwam ver in de Atlantische Oceaan terecht. Van een landing in Bantry Bay (Ierland) kwam door het wilde weer niets terecht” [I 243].
 
 
4 2 Wolf Tone
 
 
Hulp van de Nederlanders voor de Ieren en Fransen
 
 
In oktober 1798, aldus historicus Isidore Mendels, vroeg Parijs aan Nederland in de vorm van twee fregatten hulp in de strijd tegen de Britten. De plannen om Ierland binnen te vallen waren nog niet opgegeven. Jacobus Spoors, afkomstig uit Hazerswoude, was minister van marine geworden. Aan de regering, het Uitvoerend Bewind, meldde hij: “We moeten aan de Franse Republiek onze welwillendheid doen blijken en geen ogenblik aarzelen om aan dit verzoek te voldoen”. [M 208]
   Dat klinkt behoorlijk onderdanig.
   Etienne de Bruix, Frans minister van marine, ging verder. Korte tijd later wilde hij meer hulp. Er moest een Nederlands vloot-eskader met duizenden militairen naar Ierland uitzeilen. De Ierse patriot Thompson werd naar Den Haag gestuurd om het uit te leggen. Het resultaat liet aan duidelijkheid niets te wensen over. “Het Uitvoerend Bewind aarzelde niet om aan de wens van zijn bondgenoot te voldoen. Spoors bedankte de Franse minister voor de gelegenheid om kennis te maken met Thompson. Ongetwijfeld zou de Ierse patriot volkomen tevreden zijn over de ijver die de Bataafse regering ontwikkelde om de Ieren te hulp te komen”. [M 210]
 
 
Daendels manifesteert zich
 
 
Hoewel de beslissing al genomen was werd Daendels, de machtigste Nederlandse militair in ons land, er alsnog bijgehaald.
   De Gelderlander was verre van enthousiast. De kans dat de Nederlandse vloot Ierland zou bereiken was minimaal, vond hij (op 11 oktober 1797, een jaar eerder dus, was bij Kamperduin al een Nederlandse vloot ten onder gegaan). Bovendien waren de nog beschikbare schepen voor het eskader niet van de juiste soort. De man die door de regering was geselecteerd om de Ierse expeditie te leiden, Bonhomme, was absoluut niet voor die taak berekend, liet Daendels weten: “Het eskader moet gecommandeerd worden door een zeeman met de juiste kennis van zaken en zoveel bravour dat de nationale eer niet opnieuw ten onder zou gaan in geval van een zeeslag”. [212] Kamperduin was al erg genoeg geweest, zal Daendels gedacht hebben. In elk geval stelde hij voor De Jong in plaats van Bonhomme aan te wijzen.
   Het standpunt van Daendels kon niet zomaar ter zijde gelegd worden. Daarom kwam het Uitvoerend Bewind op verzoek van Gerrit-Jan Pijman, minister van oorlog, nog eens bij elkaar. “In de samenkomst werden de verschillende bezwaren nog eens nauwkeurig besproken en overwogen. De onderneming was immers vol gevaren. Redenen van staatkunde [‘vriendschap’ met Frankrijk] geboden echter over alle bezwaren heen te stappen. Er werd dus, overeenkomstig de raad van Daendels, besloten het eskader te versterken”. [M 212]
 
 
4 3 Gerrit Jan Pijman
Gerrit-Jan Pijman
 
 
De Nederlandse regering was tijdens de bijeenkomst nog eens extra duidelijk geworden hoe belangrijk de keuze van de opperbevelhebber van de expeditie was. Zowel Bonhomme als De Jong werden bij nader inzien gepasseerd. De keuze viel op Herman Willem Daendels zelf, evenals Bonhomme geen zeeman.
   Het lijkt erop dat Daendels niet gehoopt had om voor de tocht naar Ierland als opperbevelhebber benoemd te vorden. Bovendien was hij in zijn hart tegen de expeditie. Maar, schreef Mendels: “Waar men zijn diensten inriep voor het vaderland, daar traden zijn persoonlijke inzichten op de achtergrond. Hij aarzelde derhalve niet de benoeming te aanvaarden”. [M 212]
 
 
De tocht naar Ierland die niet doorging
 
 
Misschien had de regering wel een beroep op Daendels gedaan omdat men, zo mogelijk, meer wilde dan alleen Ierland bereiken en er binnenvallen. In de instructies legde het Uitvoerend Bewind immers vast: “Misschien is er wel hoop om met succes andere bezittingen van de vijand [Engeland] aan te vallen, hetzij New Foundland of Canada. Dat zal afbreuk doen aan de vijand en de welvaart van de Bataafse natie bevorderen”. [M 214]
   Daendels kreeg dus veel vrijheid om waar ook te opereren. Natuurlijk was hij verantwoordelijk voor de krijgstucht en moest hij, zoveel hij maar kon aan Den Haag rapporteren hoe het hem verging. Maar op sommige details was het uitvoerend bewind uiterst nauwkeurig. Dat gold in elk geval voor de manier waarop hij met zijn mensen om had te gaan. Van hem werd een ‘vaderlijke zorg’ verwacht over de ‘landskinderen, op weg naar het groene Erin’ [Ierland]. De officieren ontvingen vijftig procent meer salaris dan gebruikelijk.
   De instructie aan de opperbevelhebber ging verder: “Iedere officier, onderofficier en elk der manschappen zal zich voorzien van een mes, lepel en vork – een koord om daarmee de hoed aan de knoop vast te maken en twee spijkers of krammen van circa twee duim lengte om daaraan geweer, patroon-tas, ransel enzovoort op te hangen”. [M 215]
   De regering dacht bovendien aan de vleselijke genoegens. “Aan de manschappen zal aan boord per hoofd worden uitgereikt een pond tabak en twaalf korte pijpen. Aan ieder bataillon infanterie, jagers en artillerie wordt vrijgelaten om met zes vrouwen aan boord te gaan, aan de cavallerie acht vrouwen”.
   Volgens historicus Mendels was dit zo vastgelegd vanwege ‘gevaarlijke verbintenissen tussen Bataafse krijgers en Ierse schonen’. En hij concludeerde dan ook enigszins terecht: “Alles was tot in fijnste bijzonderheden geregeld. Niets was aan het waakzaam oog van het Uitvoerend Bewind ontsnapt”. [M 215]
 
Het moet een geweldige drukte geweest zijn met al die soldaten en zeelui. Maar van uitvaren was steeds geen sprake. Van dag tot dag werd het vertrek uitgesteld. Volgens afspraak zou het Bataafse smaldeel samen met een Franse vloot richting Ierland gaan. Mendels: “Van Franse kant maakte men geen aanstalten”.
   Eind december 1798 kwam het Uitvoerend Bewind  tot het inzicht dat de nieuwe Ierse expeditie ‘zo niet vervallen, dan tenminste voor onbepaalde tijd verschoven was’. [M 215]
 
 
4 4 Lakzegel Uitvoerend Bewind
zegel Uitvoerend Bewind
 
 
Oost-Indië
 
 
De Bataafse Republiek had dan wel een vriendschapsverdrag met de Franse republiek gesloten, in eigen land waren er ook andere zaken te regelen. In de onlangs tot stand gekomen grondwet was vastgelegd dat de gebieden, waar de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) zich gemanifesteerd had, voortaan beschouwd moesten worden als ‘bezittingen’ van de staat.
   Zo simpel was dat niet. Vooral Indië was ver weg, maandenlang varen. De Nederlanders die er namens de VOC het gezag uitoefenden voelden zich vaak meer verbonden met de Britten dan met de Fransen. Pas op 27 november 1795 hoorde gouverneur-generaal Willem Alting in Batavia dat de revolutie in Amsterdam, Den Haag en elders reeds op 18 januari van dat jaar was uitgebroken. Ook in het verre oosten gold nu dat bondgenoot Engeland van het ene op het andere moment als vijand nummer één beschouwd moest worden.
   Omdat de Britten op zee oppermachtig waren, en zeker machtiger dan de Fransen, had de wijziging van het bondgenootschap in Azië grote consequenties. Daar kwam nog bij dat stadhouder Willem V na zijn vlucht naar Engeland werd ‘aangezet’ om de zogenaamde Kew-brieven te ondertekenen. De wettelijke stadhouder, (tijdelijk?) balling in het Kew-paleis, gaf de Britten door het ondertekenen van die brieven opdracht de Nederlandse gebieden elders ter wereld over te nemen en te besturen zolang hij niet in functie was. Britse marineschepen verschenen korte tijd later voor de havens waar de VOC opereerde. Het duurde niet lang of heel wat gebieden, zoals Ceylon, Zuid-Afrika en Malakka, gingen verloren voor Nederland, dat wil zeggen de Bataafse Republiek.
 
 
4 5 Kew Palace
Kew Palace
 
 
Hulp nodig in Batavia (Java)
 
 
Voor de nieuwe machthebbers in Nederland was het zaak orde op zaken te stellen in Batavia, de hoofdstad van wat nu Bataafs-Indië geworden was. De aanpak lag voor de hand: stuur er een vloot heen.
   Zo’n vloot, met als opperbevelhebber Herman Willem Daendels was sowieso gereed om uit te varen naar Ierland, de tocht waarvan het welhaast zeker was dat die niet door zou gaan.
   Het Oost-Indisch Comité in Amsterdam klaagde al enige tijd over de onhoudbare toestand waarin Java en Batavia (het huidige Jakarta) in het bijzonder zich bevonden. Daagde er uit Nederland niet spoedig krachtige hulp op dan was het te voorzien dat Batavia bij de eerste vijandelijke (Britse) aanval zou bezwijken. De militaire bezetting van Batavia, niet berekend op de ontwikkelingen in Nederland, stelde niet veel voor. Bovendien begonnen de Javaanse vorstendommen zich meer en meer te roeren. Voor iedereen was het duidelijk dat het Nederlandse optreden in Oost-Indië wankelde.
   Al in november 1798 begon men zich te realiseren dat Batavia en Java in staat van verdediging gebracht moesten worden. Militair gezien lag dat uiterst moeilijk omdat alle nog beschikbare marine-capaciteit in dienst gesteld was ten behoeve van de (Franse) aanval op Ierland.
 
De zaak veranderde toen men bij het Uitvoerend Bewind tot de overtuiging kwam dat de Ierse expeditie wellicht niet zou doorgaan – in elk geval niet op korte termijn. De logische vraag kwam boven drijven: moest het Ierse vloot-eskader met duizenden soldaten dan maar werkloos blijven wachten?
   Stapje voor stapje veranderde de Nederlandse regering van koers. Wellicht zou een gedeelte van de Ierse oorlogsvloot in het voorjaar van 1799 met tweeduizend soldaten naar Indië kunnen varen. Er stonden niet alleen belangen in Batavia op het spel. Zo’n vloot zou bijvoorbeeld de Britten, die in samenwerking met stadhouder Willem V, Zuid-Afrika, Ceylon en Malakka met succes binnen waren gevallen, die gebieden opnieuw onder Nederlands bestuur kunnen brengen.
   De Fransen – die moesten uiteraard hun goedkeuring aan het plan geven – hadden volgens het Uitvoerend Bewind ook baat bij zo’n Nederlandse expeditie naar de Oost. Generaal Napoleon Buonaparte dacht na de slag bij de Piramiden (21 juli 1798) Egypte voor de Fransen bezet te hebben. Op 1 augustus werd zijn vloot echter door de Britse admiraal Nelson de grond in geboord. Napoleon was in grote problemen gekomen. Een Bataafse oostelijke expeditie zou de Britten afleiden van hun exercitie in Egypte. Zo’n zelfde redenering was voor de Fransen (mede) aanleiding geweest om eerder een militaire expeditie naar Ierland op te zetten.
 
 
Daendels wordt ingezet voor een expeditie naar het oosten
 
 
Plannen voor een tocht richting Oost-Indië waren snel opgezet. Men ging ervan uit dat de Portugezen die op zee niet zouden verstoren. De vloot zou eerst via de Azoren (de ‘Vlaamse eilanden’) naar Brazilië (Rio de Janeiro) varen en van daaruit naar het oosten.
   Rond de jaarwisseling 1798-1799 zette de regering nieuwe stappen. Minister Spoors legde vast: “Na veelvuldig overleg zijn we het eens geworden dat vijfduizend man landtroepen onder het opperbevel van generaal Daendels bij de eerste gunstige gelegenheid die kant uit zullen worden gestuurd”. [M 218]
   Schout-bij-nacht Samuel Story, uit Maasbommel, zou het bevel voeren over een grote vloot, bestaande uit niet minder dan acht linie-schepen, twee zware en vijf lichte fregatten en twee aviso’s.
   Terwijl Daendels zich formeel bleef prepareren op een expeditie naar Ierland (en eventueel Canada) werd hij door Spoors in vertrouwen genomen over de gewijzigde inzichten en plannen.       
   De generaal moest zich nu in extenso voorbereiden om te gaan optreden in een totaal ander gedeelte van de wereld. Dat zal heel wat van hem gevraagd hebben. Wat wist de Hattemer over hetgeen zich in Zuid-Afrika en Azië afgespeeld had en hoe hij er binnen een aantal maanden een rol kon spelen? Enkele jaren eerder had Londen expedities uitgerust naar de hoven van bijvoorbeeld China (George Macartney) en Birma (Michael Symes), die veel kennis opleverden maar maar geen militaire oogmerken hadden.
 
Opnieuw werd de opdracht nauwkeurig onder woorden gebracht. Maar in het algemeen gold: “Als commandant en chef dezer expeditie wordt hem in het algemeen en in alle gevallen, waarin hij zich met de macht, bij deze aan hem toevertrouwd, mocht komen te bevinden, aanbevolen de nationale eer te handhaven en alles te doen, wat het geluk en de welvaart van het vaderland zal behouden en vermeerderen”. [M 218]
   Het belangrijkste doel werd vastgelegd in artikel 14: “Daendels zal zich naar Batavia begeven. Na aankomst zal hij zoveel mogelijk inlichtingen inwinnen. Met de plaatselijke machthebbers [sinds de grondwet direct ondergeschikt aan de regering in Den Haag] en de commandant van de vloot [Story] zal hij alles ondernemen wat tot afbreuk van de vijand [de Britten, misschien ook de nog aanwezige Javaanse vorsten en hun onderdanen] en tot de belangen van het vaderland kan strekken – hetzij door onze bezittingen terug te veroveren of door het maken van veroveringen op de vijand, of op zodanige andere wijze het meeste nadeel aan de vijand en de meeste eer en voordeel aan de Bataafse Republiek – kan toebrengen”. [M 219]
 
 
Geheime operatie
 
 
Formeel stond de Bataafse Republiek klaar om samen met de Fransen een geallieerd optreden in Ierland tot stond te brengen. Maar de werkelijkheid was begin 1799 anders.
   De voorbereidingen om naar het verre oosten te gaan varen vonden derhalve in het grootste geheim plaats. Uiteraard mochten de Britten niet op de hoogte komen van wat zich in Bataafs Nederland aan het afspelen was. Maar ook de Fransen moesten rustig gehouden worden.
   Na enige tijd kreeg Rutger Jan Schimmelpenninck, ambassadeur van de nieuwe republiek in Parijs, opdracht het plan aan de Franse regering (het ‘Directoire’) te verkopen.
 
 
4 6 Schimmelpenninck
Schimmelpenninck
 
 
Fransen werken niet mee
 
 
Het Directoire, aldus historicus Isidore Mendels, maakte allerlei bezwaren. In Parijs was men ervan overtuigd dat zo’n groots opgezette expeditie nooit in het geheim zou kunnen vertrekken. “De Bataafse zeemacht zou door Engelse schepen worden opgewacht en onvermijdelijk geheel of gedeeltelijk in de handen van de vijand vallen”. [M 225]
   De Fransen hadden een andere bestemming voor de vloot van de Bataafse Republiek. De situatie in Oost-Indië had geen prioriteit in hun internationale politiek. De Nederlandse oorlogsschepen moesten maar in een dreigende houding voor Texel blijven liggen. Engeland zou dan voortdurend op zijn hoede moeten zijn voor een inval in Ierland.
   Bij het Nederlands Uitvoerend Bewind was er alom teleurstelling. Daendels wilde wel weg. In 1798 waren er heel wat interne problemen geweest waar hij direct bij betrokken was. Hij blaakte dan ook van ijver voor een groots optreden elders in de wereld. Daar zou hij zijn vaderland beter kunnen dienen.
 
 
Daendels op missie naar Parijs
 
 
Misschien was Parijs wel om te praten. En wie kon dat beter doen dan Daendels zelf? Als er één man was die er met gezag op het hoogste niveau kon opereren was hij het wel. In regeringskringen had hij veel vrienden. De Nederlandse generaal werd op 10 februari 1799 opgedragen zich in het geheim naar de Franse hoofdstad te begeven met de bedoeling de toestemming alsnog binnen te halen.
   Tijdens zijn onderzoek in Parijs vond Mendels papieren waarin Daendels zelf ter plekke had vastgelegd wat hij met Franse regeringsvertegenwoordigers aan de orde gesteld had.
 
Uiteraard herhaalde Daendels de argumenten van het Uitvoerend Bewind. Maar hij voegde er nog een en ander aan toe. De Nederlandse generaal was volstrekt niet bang voor de Britse marine. Zijn vloot was groot genoeg en sterk bewapend. Zijn mannen waren vast besloten hun kolonies te hulp te komen. Na aankomst konden er dan eindelijk weer koloniale waren naar het vaderland opgestuurd worden. De handel daarin zou een kolossal bedrag in de schatkist doen vloeien. Zijn mannen hadden tevens het voornemen om bijvoorbeeld de Britse handel met China te vernietigen.
   Daendels poneerde in Parijs wat hem in Den Haag was opgdragen. De herovering van Kaap de Goede Hoop stond op het programma. De Britten, daar was hij van overtuigd, zouden in zuidelijk Afrika maar weinig weerstand te bieden hebben. “Bovendien mochten de Bataven rekenen op de steun van de inboorlingen, die zeer gehecht waren aan hun vroegere meesters. Ze zouden de gelegenheid aangrijpen om het gehate Britse juk af te werpen”. [M 226]
   Daendels zette het allerhoogste, zijn eer, op het spel. “Gesteld dat ons eskader aangevallen wordt. Dan waarborg ik een verdediging, zo onverschrokken en hardnekkig mogelijk. Lijden wij de nederlaag dan durf ik verzekeren dat de roem van mijn landgenoten ongerept en onbevlekt zal blijven. De overwonnene zal [in dat geval] aan de overwinnaar geen enkel zege-teken achterlaten”. [M 226}
   Herman Willem, 36 jaar, leek bereid om voor Frankrijk te sterven. Als hij maar zijn zin kreeg, dat wil zeggen de toestemming om naar Oost-Indië uit te varen.
 
 
Vergeefse hoop op toestemming
 
 
Daendels was er van overtuigd dat hij de Fransen op andere gedachten had weten te brengen. Op 22 februari 1799 schreef hij vanuit Frankrijk een brief naar minister Pijman in Den Haag. In zijn schrijven verzocht hij de minister van oorlog om alles in gereedheid te brengen voor een vertrek van 10 maart, nog geen drie weken later. Iedereen moest dan aan boord zijn. Bovendien was hem een werk-kapitaal van tweehonderd duizend gulden toegezegd. Dat geld moest tegen die tijd in Amsterdam klaarliggen. De formele toestemming van het Directoire was dan nog wel niet binnen. Maar hij was er absoluut van overtuigd binnen enkele dagen te zullen slagen.
   De Nederlandse minister handelde zoals Daendels het vanuit Parijs aangaf. Het was en bleef een uiterst geheime operatie. De Britten mochten absoluut niets vermoeden van hetgeen zich in ‘Europa’ (het Europese continent) afspeelde.
   Daendels reisde vanuit Parijs terug naar Den Haag in de vaste overtuiging dat hij in zijn missie geslaagd was. Ambassadeur Schimmelpenninck liet hij achter om de zaak verder af te ronden.
 
Hoe groot moet ieders teleurstelling geweest zijn toen de Oost-Indische expeditie alsnog door het Directoire werd afgeblazen. Op 15 maart, vijf dagen na het geplande vertrek, liet Schimmelpenninck weten dat de Franse regering ‘stellig voornemens was’ het Nederlandse eskader niet te doen uitlopen. De gezant herhaalde nog eens: de Fransen vonden dat de Bataafse marine niet meer mocht doen dan een dreigende houding ten opzichte van de Britten aan te houden. In het najaar van 1799 zouden de Fransen de zaak opnieuw bekijken.
   Daendels was met een kluitje in het riet gestuurd. Het was nog eens goed duidelijk dat de Bataafse republiek belangrijke beslissingen niet zelf mocht nemen. In Indië moest men zijn eigen boontjes maar doppen. Voor de Fransen was die kwestie in 1799 niet van betekenis.
 
 
Daendels alsnog naar Indië in 1807
 
 
4 7 Charles Decaen
Charles Decaen
 
 
Aan het einde van het jaar 1799 kwam Napoleon aan de macht in Parijs. Een paar jaar later (bij de vrede van Amiëns, 1802) ontwikkelde de Eerste Consul een Franse strategie voor het oosten van Azië. Eerst stuurde hij Charles Decaen als zijn vertegenwoordiger naar het gebied.
   Aan zijn broer Louis, koning Lodewijk van Holland geworden in 1806, gaf Napoleon de opdracht mee zich terstond met koloniale zaken bezig te houden. Broer Louis kende het standpunt van de man die zich in 1804 tot keizer van de Fransen gemaakt had: “Als u uw strijdkrachten ter land en ter zee vermindert en zo uw koloniën verliest, zal ik niets voor Holland doen”.
   Op 1 juli 1806 reageerde Louis op een brief die de keizer over dat onderwerp geschreven had. Behalve dat hij een overzicht gaf van de Bataafse vloot, schreef hij hem onder meer: “Het eskader in Indië bevindt zich in staat van uitputting. Ik wil het vervangen door een soortgelijk eskader als het Uwe Majesteit behaagt. Ik ga een goede landofficier naar Batavia sturen”. [HK hoofdstuk 6]
   Zo kwam Herman Willem Daendels voor de tweede keer op het toneel om naar het verre oosten gestuurd te worden. Deze keer niet door zijn landgenoten maar door de Fransman die als koning van Holland op de troon gezet was. Niemand dan Napoleon zelf had opdracht gegeven. Dat was, om het zo te zeggen, andere koek.
 
In februari 1807 vertrok Herman Willem Daendels echt naar Indië. Deze keer maakte hij de reis grotendeels in zijn eentje. Op 1 januari 1808 wist hij de westkust van Java te bereiken. Zijn aanwezigheid gedurende de volgende jaren bracht grote veranderingen. Tot op de dag van vandaag is hij bij menigeen niet vergeten.
 
Harry Knipschild
1 september 2016
 
Literatuur
 
Isidore Mendels, Herman Willem Daendels vóór zijne benoeming tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1762-1807), Den Haag 1890
‘Het Haags verdrag van 1795’, in A.J. Servaas van Rooijen, Haagsch Jaarboekje, 1897, 328
T.W. Moody en F.X. Martin (red.), The course of Irish History, Cork 1967
G.J. Schutte, De Nederlandse patriotten en de koloniën. Een onderzoek naar hun denkbeelden en optreden 1770-1800, Groningen 1974
M.C. Ricklefs, A history of modern Indonesia, Londen 1991
Harry Knipschild, Een Bataaf in Batavia, 1808 – 1811. Herman Willem Daendels en zijn Franse connectie, Leiden 2000
  • Hits: 12938

3 - Herman Willem Daendels en de revolutie in Nederland (1795) deel 2

1 1 Daendels
 
In deel twee van het artikel over het aandeel van Daendels in de Nederlandse Revolutie, een half decennium na de Franse Revolutie, zal ik de laatste paar maanden, vanaf de verovering van Den Bosch (oktober 1794) tot de omwenteling in Amsterdam (18/19 januari 1795) vanuit het gezichtspunt van de ‘veroveraars’ aan de orde stellen.
 
 
 
Herman Willem Daendels en de revolutie in Nederland (1795) deel 2
 
 
 
Herman Willem Daendels (geb. 1762, Hattem) moest in 1787 uit Nederland vluchten na zich als patriot verzet te hebben tegen het bewind van stadhouder Willem V en zijn echtgenote Wilhelmina, afkomstig uit Pruisen.
   In 1794 kwam Daendels terug, nu als brigade-generaal in het Franse revolutionaire leger. In het najaar, na de politieke val en dood van Robespierre (28 juli 1794, onder de guillotine), leider van het Comité de Salut Public, nam Paul Barras in Frankrijk de macht over. Maar voorlopig was het volop verwarring. Het was dan ook onduidelijk wat er met de Franse troepen moest gebeuren die onder leiding van Daendels de stad Den Bosch voor de Fransen hadden ingenomen.
   Daendels wilde vóór het invallen van het slechte weer verder oprukken. Bovendien moesten de Nederlanders zichzelf bevrijden en niet wachten op Franse troepen, was zijn mening. Daarom stuurde hij op 21 oktober 1794 een oproep naar ‘zijn’ provincie Gelderland (en Overijssel) om het heft in handen te nemen.  
   Op een schoorsteen in Den Bosch schreef Daendels, in al zijn optimisme: “In Hattem op 15 december [1794], in Den Haag op 15 januari [1795]”. [M 51]
   Met dat soort zaken trad de generaal in Franse dienst buiten zijn boekje. Het was niet aan hem om zich met de grote politiek te bemoeien.
 
Repercussie tegen Daendels
 
 
3 1 Mr Casper van Breugel 1786
Casper van Breugel (1787)
 
Al eerder had Casper van Breugel, die daarom voor overleg naar Den Haag gereisd was, contact opgenomen met Bellegarde, op dat moment de enige vertegenwoordiger van Parijs bij het Franse leger. Van hem hoorde hij dat de Fransen niets liever wilden dan vrede sluiten. Plannen voor nieuwe veroveringen hadden ze op dat moment niet. Als de stadhouder bereid was te vertrekken was een revolutie in Nederland niet nodig.
   Van Breugel vertelde Bellegarde dat Daendels een totaal andere visie had. Van het een kwam het ander. Van Breugel, Daendels en Bellegarde voerden lange gesprekken, waarbij onderhandeld werd over hoe de toekomst van Nederland er uit moest zien. Terwijl Bellegarde naar Frans Brussel reisde voor verder overleg, nam Daendels het initiatief met zijn proclamatie van 21 oktober 1794.
   Bovendien kwam de generaal in actie in Den Bosch en omgeving. Hij vorderde geld voor de ‘nationale zaak’. Ook moest elke veertigste man onder de wapenen, ‘vrijwillig of bij loting’. [M 53]
 
De veroveraar van Den Bosch richtte zich een paar dagen later, op 25 oktober, eveneens tot zijn bondgenoten in Amsterdam. Hij riep hen op de opstandelingen in Overijssel financieel te steunen en in Amsterdam in te grijpen. Ondanks alle te overwinnen problemen zag de toekomst er immers goed uit. “De genie vrijheid zal boven komen. Ik zal u komen verlossen”. Het was nu erop of eronder. Als het toch fout mocht gaan, liet hij de leden van het revolutionair comité in Amsterdam weten, ‘zal ik met u sneuvelen’.  [56]
   Tijdens de afwezigheid van de Parijse vertegenwoordigers handelde Daendels op eigen houtje.
 
3 2 proclamatie Daendels
proclamatie Daendels van 21 oktober 1794 (fragment)
 
De gevolgen lieten niet lang op zich wachten. Toen Lacombe, evenals Bellegarde volksvertegenwoordiger van Parijs bij de troepen, ervan hoorde greep hij onmiddellijk in. Daendels liet hij arresteren. Op 31 oktober, 10 dagen na de proclamatie van Daendels, volgde de proclamatie van Lacombe. Daarin werd de handelwijze van de Hattemer aan de kaak gesteld.
   De Fransman maakte duidelijk dat alleen Frankrijk het in Nederland voor het zeggen had. Niemand mocht de wapens opnemen om zichzelf van de stadhouder te bevrijden. Wie Daendels inmiddels geld gegeven had voor het goede doel moest dat terugvorderen. De Fransen lieten zien wie er in Nederland de baas was. De proclamatie werd met trompetgeschal in Den Bosch en omgeving aangeplakt.
   Korte tijd was er sprake van dat de ‘eigengereide’ Daendels uit de strijd werd teruggetrokken en naar Lille overgebracht zou worden. In dat geval was het onduidelijk wat er verder met hem zou gebeuren. In theorie zou ook hem de guillotine te wachten kunnen staan.
   Maar later kwam Lacombe op zijn beslissing terug. Historicus Isidore Mendels: “Men moest bedenken dat Daendels een vreemdeling [bij de Franse troepen in Nederland] was, die de gevolgen van zijn stap niet had berekend. Bovendien gold het een officier die reeds veel goede diensten bewezen had en van wie men nog meer kon verwachten. Daarom verzocht hij zijn collega’s Daendels geen zwaardere straf op te leggen”. [M 57]
   Vandaag de dag zou je zeggen dat Herman een gele kaart had ontvangen en voortaan moest oppassen dat die niet door een rode gevolgd werd.
 
Van Breugel werd voor verder overleg over vrede naar Den Haag gestuurd. Hoe dan ook, van een verder oprukken richting Holland was eind oktober 1794 geen sprake. De vertegenwoordigers bij het Franse leger in Den Bosch stelden de regering in Parijs gerust. Daendels zou de kans niet meer krijgen zich nog verder te roeren.
 
 
Activiteiten tegen het einde van 1794
 
 
Een Frans leger dat oostelijker opereerde, hield er een andere politiek op na. Zoals gezegd werd Maastricht in november 1794 ingenomen en door Frankrijk geannexeerd. Hetzelfde lot overkwam het noordelijker aan de Maas gelegen Venlo. In diezelfde tijd werd ook Nijmegen door de Fransen bezet.
   Het westelijke leger, dat in militair opzicht onder bevel van Pichegru stond, lag nagenoeg stil in het land van Maas en Waal. De onderhandelingen over vrede met Caspar van Breugel en raadpensionaris Laurens van de Spiegel (namens Willem V) duurden voort. De stadhouder stuurde nog een afgezant af naar Lacombe en twee eigen afgezanten naar Parijs. Zijn bewind was bereid de nieuwe Franse republiek, waarin heel wat moordpartijen hadden plaatsgevonden, formeel te erkennen. In Holland bleef de politieke situatie ongewijzigd.
   In Amsterdam werd een optreden van het revolutionaire comité meteen ontkracht. Een van de leden, Cornelis Kraijenhoff, besefte dat hij waarschijnlijk vastgezet zou worden. Hij wist op tijd te vluchten en door de linies naar Nederlands-Frans gebied te ontsnappen. Vandaar uit ging hij op zoek naar Daendels.
 
Toen Daendels niet meer vast zat, kwam hij op een andere manier in actie. Meer dan ooit besefte hij dat de belangrijkste beslissingen niet in Nederland maar in Parijs genomen werden. Wilde je iets bereiken dan moest je in de Franse hoofdstad zelf zaken doen.
   Daendels wist Philippe Merlin de Douai, lid van het Comité de Salut Public, in Parijs voor zijn standpunt te winnen. Op 5 december 1794 bracht deze namens de regering een rapport uit waarin de ‘geruchten over het sluiten van vrede ontkend werden’. In Parijs kon het roer nog wel eens totaal omgegooid worden. Volgens Merlin de Douai waren die geruchten verzonnen door de tegenstanders van Frankrijk om de republikeinse legers te verlammen, de zegetocht van die legers tegen te houden en de revolutionaire geestdrift te verstikken’. [M 59]
 
 
3 3 Merlin de Douai
Merlin de Douai
 
Het moet Herman Willem voldoening gegeven hebben toen hij vernam dat er weliswaar vrede moest komen, maar dan wel gewaarborgd door eigen kracht en door de machteloosheid van de vijanden. Pichegru kreeg onmiddellijk opdracht vanuit Parijs om doortastende maatregelen te nemen en de Waal in noordelijke richting over te trekken.
    Het was ‘vijf voor twaalf’ – of nog later. De voortdurende regen had de wegen onbegaanbaar gemaakt. Bovendien dreigde er op korte termijn een tekort aan voedsel voor manschappen en paarden.
 
 
Nog niet over de Waal
 
 
Generaal Daendels kreeg eind december de kans om in actie te komen. Intussen had zich ook Cornelis Kraijenhoff bij hem weten te voegen. Bovendien was er een Nederlands revolutionair comité ter plaatse met als belangrijkste leden Willem van Irhoven van Dam, Jacob Blauw en IJsbrand van Hamelsveld. Kraijenhoff vertelde Daendels dat de situatie in Amsterdam nijpend was. Er moest onmiddellijk ingegrepen worden.
   Besloten werd snel een aanval te doen om door te breken naar de Bommelerwaard. Daendels had zich in de haast echter niet goed voorbereid en ondoordacht gehandeld. De schepen die hij gebruikte bleken te breed te zijn om de sluizen te passeren. Op 11 december werd er vanuit fort St. Andries zo aanhoudend gevuurd dat zijn troepen zich met groot verlies moesten terugtrekken.
   Daendels was furieus. Hij vond dat hij door Pichegru opzettelijk in de steek gelaten was. Die had immers vanuit Parijs opdracht gekregen om tegelijk met hem over een grote linie krachtig aan te vallen. En dat had hij gewoon niet gedaan.
   Misschien vond Pichegru het maar niets dat zijn ‘heethoofdige’ brigade-generaal goede contacten met zijn superieuren in de Franse hoofdstad had weten op te bouwen. Een nederlaag kwam hem in zekere zin goed uit.
   De generaal in Franse dienst werd voorlopig op een zijspoor gezet. Hij moest zich maar bezig houden met de inname van Heusden in het westen. De Fransen zouden Holland zelf wel bevrijden na het winterseizoen. Ze richtten hun winterkwartieren in.
   Jacob Blauw, van het revolutionaire comité, was verontwaardigd. Het was een schande dat de Fransen Daendels, ‘die waarlijk de achting en het vertrouwen van iedere Nederlander verdient’ [M 63], buiten spel gezet hadden. Het had er alle schijn van dat men Herman Willem liever kwijt dan rijk was. De Geldersman was voor de Fransen blijkbaar niet te vertrouwen. Dat had hij in oktober al aangetoond.
 
 
Beslissende factor: het weer
 
  
In de biografie van Cornelis Kraijenhoff is te lezen dat deze samen met de troepen van Daendels op 2 januari 1795 bij Heusden, een geduchte vesting met hoge wallen en diepe grachten, aankwam. Onderwijl was het weer omgeslagen – het vroor dat het kraakte. De omgeving van de vesting, die onder water gezet was om het de aanvallers nog extra moeilijk te maken, was dicht gevroren. Ook werd het vanwege de lage temperatuur steeds lastiger de grachten open te houden.
   Christian Teutscher von Lisveld was commandant van de stadhouderlijke troepen in Heusden. Daendels stuurde Kraijenhoff naar de bejaarde generaal om hem, zoals dat hoorde, tot ovegave te sommeren. Cornelis ving bot bij Teutscher. Maar tijdens het contact in de vestingstad proefde hij dat er kansen waren om de stadhouderlijke troepen op de knieën te krijgen. Vooral omdat het onder water zetten van de omgeving niet werkte vanwege de vorst.
   De brigade van Daendels was zodoende in staat Heusden met kanonnen goed te beschieten. Na ruim een week van bombarderen gaf de gouverneur van de vestingstad zich op 15 januari 1795 over.
   In plaats van feest te vieren trokken Daendels en Kraijenhoff op 16 januari meteen verder. Het weer had de aanvallende troepen kansen gegeven die niet verloren mochten gaan.
 
3 4 overgave van Heusden
Overgave van Heusden, 15 januari 1795 (uit biografie Kraijenhoff)
 
 
Doorgaan...
 
 
Begin 1795 viel Daendels een grote eer te beurt. Hij ontving bericht dat hij bevorderd was van brigade-generaal tot divisie-generaal. Maar te gelijk vernam hij ook dat hij overgeplaatst was naar de Pyreneeën. Was dat een compromis op basis van het conflict met de ‘trage’ Pichegru? Werd hij soms ‘weg gepromoveerd’? Hoe dan ook, Daendels trok verder. Het noorden lag open, besefte hij. De buitenlandse troepen die Willem V moesten beschermen hadden zich terug getrokken.
 
Daendels besefte goed dat nu the moment of truth gekomen was. Voortdurend riep hij de Nederlanders op zelf in actie te komen alvorens door de Fransen bevrijd, zeg: veroverd, te (moeten) worden. Met die woorden vond hij echter maar weinig gehoor.
   Ondanks de kansen als gevolg van het weer trokken de Fransen volgens Mendels slechts ‘zeer langzaam’ voorwaarts. [M 65] Daendels nam in elk geval het voortouw. Een paar dagen na de overgave van Heusden arriveerde hij op zaterdag 17 januari 1795 in Leerdam. Het was die dag zeven graden onder het vriespunt. Wind en sneeuw kwamen uit het noordoosten.
   Het was nu zaak zo snel mogelijk Amsterdam te bereiken, waar mensen  die zich ‘revolutionairen’ noemden, tot de conclusie gekomen waren dat zelfstandig optreden geen kans van slagen had. Misschien dacht men daar wel dat de politiek van Parijs wel weer eens volledig om kon slaan. In dat geval zouden de aanhangers van de stadhouder, die de openbare orde beheersten, deze gegoede burgers wel eens hard kunnen aanpakken. Die durfden in elk geval geen echt risico te nemen. In Amsterdam kwam dus geen omwenteling van binnen uit. Ook in Rotterdam en elders verroerde men zich niet.
 
 
Van Leerdam langs Maarssen naar Amsterdam
 
 
Daendels en Kraijenhoff trokken zo snel als ze konden verder naar het noorden. Het leek wel een race tegen de klok. Blijkbaar waren er nauwelijks belemmeringen. Utrecht had zich na de vlucht van buitenlandse soldaten al overgegeven. Opnieuw stuurde Daendels, nu als divisie-generaal, een proclamatie rond. “De representanten van het Franse volk vorderen van de Hollandse natie dat die zich zelf vrij maakt. Zij willen Nederland niet als overwinnaars onderwerpen. Dordrecht, Haarlem, Leiden en Amsterdam moeten de revolutie zelf tot stand brengen”. [M 63]
   Leden van het revolutionair comité in het door vluchtelingen overspoelde Amsterdam durfden het nu aan contact met generaal Golowkin, commandant van de troepen ter plaatse, op te nemen. Hun daad werd geduld, maar de generaal wachtte voorlopig af. Het comité voorzag de burgerij de volgende ochtend van wapens. Bovendien nam men contact op met burgemeester Straalman en verzocht hem ‘de rust en goede orde te bewaren’. Ze vroegen hem ervoor te zorgen dat geen militairen of schutters ‘de burgers in hun vrolijkheid zouden storen’. [M 66]
   De bestuurders van Amsterdam maakten geen duidelijk standpunt bekend. Maar ze wisten wat hun waarschijnlijk te wachten stond.
 
 
3 5 Daendels wenst Kraijenhoff met tamboer in Maarsen succes op zijn reis naar Amsterdam 18 januari 1795
Daendels (rechts) neemt in Maarssen afscheid van Kraijenhoff, met tamboer, 18 januari 1795
 
De ochtend na aankomst in Leerdam bevond Daendels zich al in het ten noorden van Utrecht gelegen Maarssen. Het was zondag 18 januari 1795. Amsterdam was niet ver weg. Ze zouden in die stad maar al te goed beseffen dat het Franse leger op het punt stond om er binnen te vallen, zal hij ongetwijfeld gedacht hebben.
   Daendels besloot hoog spel te spelen. In de recente biografie van Kraijenhoff wordt dat duidelijk gemaakt. De divisie-generaal stuurde Kraijenhoff als zijn afgezant in zijn eentje op een boerenkar, met slechts één paard bespannen, naar Amsterdam. Een tamboer liep voorop. Ondanks de snelle ontwikkelingen was het een risknte onderneming. Je wist immers nooit hoe er onderweg gereageerd zou worden.
   Door middel van trommelslag meldde Kraijenhoff zich onderweg bij het fort in Nieuwersluis. Geblinddoekt werd hij bij de commandant binnengelaten. De afgezant overhandigde een schrijven van Daendels met de sommatie om zich binnen het uur met zijn troepen over te geven. De commandant pakte zonder te reageren zijn biezen en verdween richting de vesting Naarden. De weg naar Amsterdam lag helemaal open – ook voor de troepen van Daendels die zouden volgen.
 
 
Revolutie in Amsterdam, 18-19 januari 1795
 
 
Om vier uur ’s middags op die zondag meldde Kraijenhoff zich bij de Amsterdamse Weesperpoort. Ter plekke liet hij weten dat hij in onderhandeling wilde treden met de commandant van de stad, generaal Golowkin. In Amsterdam waren maar liefst 6.000 manschappen gelegerd. Een uur later vernam hij dat hij welkom was. Hem werd een rijtuig aangeboden voor het vervoer. Kraijenhoff prefereerde lopend te arriveren.
   Het was een politiek spelletje. De Amsterdammers liepen te hoop en omstuwden hem. “Door de grote menigte, die toevloeide, viel het hem moeilijk een ernstige houding aan te nemen”. [K 112]
   Golowkin koos eieren voor zijn geld en deed niet moeilijk. Wat hem betreft mocht Kraijenhoff het commando meteen van hem overnemen. Golowkin was de kwaadste niet. Hij organiseerde zelfs dat de echtgenote en kinderen van Kraijenhoff, die deze bij zijn vlucht had moeten achterlaten, onverwacht ten tonele verschenen.
   De afgezant van Daendels vernam bovendien dat hij om acht uur ’s avonds welkom was bij het stadsbestuur. Om de tussenliggende tijd door te brengen begaf hij zich naar het Wapen van Emden, waar hij met veel gejuich ontvangen werd. Zitted op een stoel werd hij rondgedragen. “Hier sprak hij de samengevloeide menigte uit allerlei stand met veel bedaardheid aan, gaf opening van het oogmerk van zijn zending en beloofde dat de omwenteling binnen een paar uur zou plaatsvinden. Maar de mensen moesten zich nog even stil houden”. Vervolgens meldde hij zich bij het revolutionair comité om er afspraken te maken voor de samenstelling van een nieuwe stadsregering die de volgende dag het heft in handen moest nemen.
 
 
3 6 Matthijs Straalman
Matthijs Straalman
 
Burgemeester Matthijs Straalman, die de vertegenwoordiger van Daendels in zijn huis aan de Herengracht ontving, stelde zich aanzienlijk minder meegaand op. Ongetwijfeld hadden hij en zijn medebestuurders ook meer te verliezen. In eerste instantie werd Kraijenhoff niet eens erkend als onderhandelaar. De volmacht die hij bij zich droeg stelde niets voor, hoorde hij. Straalman c.s. wilde wel van gedachten wisselen over een overgave, maar dan wel met de Franse legerleiding. Dat was wat Kraijenhoff te horen kreeg in de zijkamer waar hij al een half uur had zitten te wachten.
   Kraijenhoff reageerde op een dreigende toon. Als hij diezelfde avond niet de garantie kreeg dat het stadsbestuur het bijltje er bij neergooide garandeerde hij niet dat het rustig zou blijven in de stad.
   De aanwezige regenten begrepen dat ze geen keus hadden. Alsnog verklaarden ze bereid te zijn alle functies neer te leggen en te accepteren dat er vanaf de volgende dag een nieuwe bestuursvorm, ‘naar Franse smaak’, van kracht zou worden.
   Nadat Kraijenhoff vertrokken was werd er ‘weinig of niet gesproken. Een ieder was stil en aan zijn gedachten overgegeven’, zo werd de stemming ten huizen van de burgemeester vastgelegd.
   Op de Dam was het een en al feestgedruis. “Het krioelde van de mensen. De beker ging lustig rond in het Wapen van Emden, waar veel vreugdeblijken over de naderende omwenteling vertoond werden – niet altijd met gepaste welgevoeglijkheid”. [K 115] 
   Om half elf ’s avonds werd op de Dam een proclamatie voorgelezen. Iedereen werd opgeroepen de rust te bewaren en vooral de leden van het garnizoen, dat vanaf de volgende dag onder commando van Kraijenhoff zou staan, niet te beledigen.
 
3 7 Voorlezing proclamatie op de Dam 18 januari 1795 22.30 uur
 Voorlezing van de proclamatie, 18 januari 1795 22.30 uur
 
In de nacht van 18 op 19 januari 1795 trok Daendels met een klein militair gezelschap ongehinderd Amsterdam binnen. Zijn nadrukkelijke wens, dat er een revolutie van binnenuit moest plaatsvinden, was op het allerlaatste moment in vervulling gegaan. De nadering van het Franse Noorderleger van Pichegru moest de doorslag geven. Erg overtuigend was het niet – zeker niet in de ogen van de Fransen.
   Op maandag 19 januari was de formele overdracht van de macht. Rutger Jan Schimmelpenninck had een verklaring opgesteld. Mr. Daniël van Laer las hem voor. De vroedschap van Amsterdam, het stadsbestuur, werd onbevoegd verklaard nog enig gezag uit te oefenen en zou - onder bescherming – het stadhuis moeten verlaten. Het revolutionair comité stond klaar om de plaatsen van de regenten in te nemen.
   Namens de hele vroedschap antwoordde Straalman dat aan de eisen van het revolutionair comité voldaan werd. Kraijenhoff bedankte, naar eigen zeggen later, de leden van oude regering met een gepaste maar zeer korte toespraak voor hun bereidwilligheid.
   Het ging er dus ordelijk aan toe. De leden van de Amsterdamse vroedschap werden netjes uitgeleid zodat ze zich geen weg hoefden te banen naar hun grachtenpanden.
   De nieuwe machthebbers lieten vervolgens vanaf het stadhuis weten: “Waarde medeburgers. Uw toenmalige regering heeft aan de wil van het volk voldaan”. [K 117]
 
Internationaal perspectief
 
 
Stadhouder Willem V nam het besluit om uit te wijken naar zijn bondgenoten, de Britten. Vanaf 13 januari stapten helpers en familieleden, inclusief echtgenote Wilhelmina, in boten naar Engeland. Op 18 januari 1795 stak Willem zelf vanuit Scheveningen over naar Engeland.
   De Fransen hadden een andere kijk op de fluwelen revolutie. Op 21 januari meldden de representanten van het volk in het Franse leger aan Parijs: “Une sorte d’insurrection a précédé notre entrée dans Amsterdam. Een soort van oproer heeft plaatsgevonden vóór wij Amsterdam binnentrokken”. [K 117] Door de aanhangers van het nieuwe bewind werden de ‘Franse broeders’ verwelkomd door een revolutionaire magistraat.
   Hoe de aanhangers van Willem V zich voelden, wordt in de boeken over Kraijenhoff en Daendels geen mededelingen gedaan. Daar zal ik in een volgend artikel verslag van doen.
 
Harry Knipschild
7 juli 2016      
 
De citaten zijn afkomstig uit het standaardwerk van Isidore Mendels en de biografie van Kraijenhoff. Ik heb ze, zo nodig, bewerkt en hertaald.
 
Literatuur
 
Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden zints den aanvang der Noord-Americaansche onlusten, en den daar uit gevolgden oorlog tusschen Engeland en deezen staat, tot den tegenwoordigen tijd. Uit de geloofwaardige schrijvers, en egte gedenkstukken, zamengesteld ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie, deel 27, Amsterdam 1801
Isidore Mendels, Herman Willem Daendels vóór zijne benoeming tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1762-1807), Den Haag 1890
Wilfried Uitterhoeve, Cornelis Kraijenhoff 1758-1840. Een loopbaan onder vijf regeervormen, Nijmegen 2009
  • Hits: 14389