Zoeken

 
 
Als je met Nederlandse popartiesten over hun levensgeschiedenis wilt praten kom je al snel terecht in Den Haag of omgeving, het muzikale Volendam, Haarlem (stad van de platenmaatschappijen) of in het Gooi. Maar niet altijd. Voor een interview met Frank Kraaijeveld stapte ik op de trein naar Heiloo onder Alkmaar.
   Frank leerde ik in 1983 kennen. Het ‘gezicht’ van de Bintangs liet me indertijd een bandje horen van ‘I wanna be your cigarette’. Ik was er zo van onder de indruk dat ik de groep een contract bij Polydor aanbood. Achteraf bekeken had ik gewoon de ‘demo’ op single moeten uitbrengen. Die had de ware goeie sfeer waar de Bintangs landelijk bekend mee geworden waren. In plaats daarvan liet ik me overreden een nieuwe opname te maken in de Wisseloord studio’s. Geluidstechnisch was die een stuk beter, maar qua sfeer niet. De single werd (dan ook) geen succes. Het duurde 39 jaar voor we elkaar opnieuw zagen, op het station van Heiloo.

Kraaijeveld begon meteen over ‘I wanna be your cigarette’. Tijdens het gesprek in de auto bleek dat we het eens waren over de demo en de erop volgende opname in een prachtige studio. Een kwartiertje later belandden we in de huidige verblijfsruimte van Dianna en Frank die elkaar sinds 1964 kennen.
   Vlak achter de duinen in Egmond aan den Hoef bouwden de Karmelitessen in 1931 een klooster. Het complex met een torentje en een kapel was inmiddels door de zusters verlaten. De kapel deed nu dienst voor culturele activiteiten, inclusief de muziek van Frank Kraaijeveld. Ook de woonruimte had zijn religieuze karakter verloren. In de voormalige fabriek van devotie-kaarsen hing een dozijn elektrische gitaren aan de wand. John Lennon verklaarde in 1966: “De Beatles zijn populairder dan Jezus”. Een popmuzikant was in 2011 gaan wonen op de plek waar de Karmelitessen eertijds Jezus Christus aanbaden.
 
 
103 - Egmond karmelitessen
Het Karmelitessen-klooster in Egmond a/d Hoef
 
 
Het begin van de Bintangs
 
 
Frank Kraaijeveld werd op 6 januari 1945 in Alkmaar geboren. Dat was midden in de ‘hongerwinter’. Zijn vader was personeelschef bij Stork. Evenals zijn generatiegenoten ontdekte Frank de popmuziek door naar radio Luxemburg te luisteren. Maar omdat ze thuis draadomroep hadden hoorde hij tevens de programma’s van een man die zich Heinrich Pumpernickel noemde (Chris Howland, WDR). Door die uitzendingen was hij al snel bezeten van de muziek van Elvis Presley, Chuck Berry, Everly Brothers en Jerry Lee Lewis, vertelde hij. “Muziek werd alles in mijn leven en dat van mijn leeftijdgenoten”. De eerste plaatjes die hij kocht waren het instrumentale ‘Red River Rock’ van Johnny & the Hurricanes en ‘Please don’t tease’ van Cliff Richard.
   Frank kwam in die tijd ook met ‘levende muziek’ in aanraking. Een aantal voormalige bewoners van Nederlands-Indië was na de Tweede Wereldoorlog achter de duinen in Noord-Holland terecht gekomen.
   Een jonge Adriaan van Dis bijvoorbeeld groeide in die sfeer op. In Indische duinen (1994) schreef hij: “Mijn dorp in het najaar. Een kom vergeten huizen in de mist. Ons huis lag buiten de kern, tegenover het bos. Het dak was een boei in de duinen. Het klokhuis op de nok had zijn bel verloren, omgesmolten tot Duitse kogels. Als je erin klom zag je de zee”. Historisch niet helemaal correct noteerde hij: “Bijna tweehonderd jaar geleden [1799] waren daar tienduizenden Britten en Russen door het Bataafse leger in de pan gehakt, een mislukte poging van de Hollandse koning in ballingschap [stadhouder Willem V] om zijn land weer terug te krijgen”.
 
De voormalige Indiërs maakten volop rock & roll-muziek. Op een enkele uitzondering na (bijvoorbeeld Peter Koelewijn) waren de Nederlanders nog lang niet zo ver. Die waren in een andere cultuur grootgebracht. In het jubileumboek Bintangs Fifty-Fifty. 50 jaar Nederlandse rockhistorie (2011) schreef Meine Fernhout, Bintang van het eerste uur: “We raakten begeesterd door de zogenaamde Indo-bands. Ze speelden strak gitaar, kenden nummers waar wij nog nooit van gehoord hadden, er kwamen bloedmooie meiden naar hen kijken. We klommen op het dak van de fietsenstalling van de Weyman in Santpoort Noord. We stonden met ontzag te kijken hoe de Black Carnations stonden te swingen. We waren te jong om de ingang te kunnen passeren en bovendien was het zakgeld niet eens genoeg om de entree te betalen. We werden gek van black”.
   “Die jongens uit Indië brachten ook veel zoetsappige muziek”, vertelde Frank. “Maar ze maakten er wel een show van, met hun gitaren, hun kleding, hun pasjes enzovoort. Dat sloot mooi aan op hetgeen Cliff Richard en de Shadows deden”.
   De eerste muziek die Frank zelf ten gehore bracht, eerst met de Black Phantoms, vanaf 1961 met de Bintangs (indisch voor ‘sterren’) was dan ook in die stijl. Dat veranderde toen hij dankzij de draadomroep op het weekeinde goed kon luisteren naar de ‘Saturday Club’ op de BBC. In dat programma, gepresenteerd door Brian Matthew, speelden popgroepen als de Beatles en de Rolling Stones live. Een paar jaar later hoorde Frank er de nieuwe bluesgroep Fleetwood Mac, met Peter Green en Jeremy Spencer. Die waren fantastisch stond hem nog voor de geest. Op dat soort muziek schakelden de Bintangs, met de ‘indische’ drummer Jimmy Jansen, al snel over.
 
 
Brian Matthew
 
In de voetsporen van de Stones
 
 
In tegenstelling tot Den Haag en Amsterdam was er in Beverwijk en omgeving geen ‘scene’. Op het terrein van popgroepen waren zij pioniers in de streek. Muziek maken in de stijl van de Rolling Stones gaf hun regionale bekendheid. De Stones maakten het door Amerikaanse (rhythm &) blues zo goed mogelijk te kopiëren. Frank: “Die solo in ‘Time is on my side’ is door Keith Richards in 1964 noot voor noot nagespeeld van de oorspronkelijke versie (Irma Thomas)”. De Bintangs oriënteerden zich op de Stones. Zodoende kwamen ze bij de zelfde muzikale bronnen (o.a. Chess Records, Chicago) terecht als de Stones zelf. Frank praatte in 2012 nog steeds in lyrische bewoordingen over de eerste EP (single met vier nummers) en eerste LP van de Stones.
   Na enige tijd ontvingen de Bintangs een brief van Wim van der Horst. Die werkte voor Paul Acket, uitgever van het maandblad Muziek Expres. Er bestonden plannen, hoorde Frank, om een promotietoernee voor het blad op te zetten (dat had concurrent Muziek Parade al eerder gedaan). Of ze soms wilden komen voorspelen in een boerderij in Warmond?
   De kans om dankzij het veelgelezen blad hun bekendheid te vergroten lieten ze niet voorbijgaan. “Op de bewuste dag in 1965 lieten de Outsiders, Peter & de Blizzards, Hot Jumpers en wij ons repertoire in een verder lege ruimte horen. Publiek was er niet bij. Alleen Paul Acket en zijn medewerkers. Op dat moment bleek dat de plannen gewijzigd waren. Acket had besloten een eigen platenmaatschappij op te zetten. Onze auditie was succesvol. Wij kwamen op het Op-Art label van Muziek Expres”.
   De eerste single van de Bintangs, in 1965, was een cover van ‘You can’t judge a book by the cover’. Een song van Bo Diddley, artiest op Chess Records. De Stones hadden eerder al ‘Mona’ van Diddley op de plaat gezet. Door de connectie met Wim van der Horst en Paul Acket kwamen de Bintangs in de vaart der volkeren. Hun platen werden opgenomen in de programmering van het populaire radioprogramma ‘Veronica’s Muziek Expres’. Paul Acket had zijn eigen uitzendingen bij radio Veronica. Daar draaiden de Bintangs in mee.
 
De Bintangs waren bovendien van de partij toen de Rolling Stones op 26 maart 1966 voor 10.000 fans optraden in Den Bosch. Dat concert was door Paul Acket en Jan Vis georganiseerd. Het voorprogramma van de Stones bestond uit groepen waar Vis en Acket belang bij hadden. Het concert vond plaats, herinnerde Frank zich, in de Brabant Hallen. Die waren gebouwd voor handel in vee. De akoestiek noemde hij allerbelabberdst. De geluidsapparatuur van de Stones was uiterst eenvoudig. Voor de Britten was het een routine-klus. “Van dat soort optredens deden ze er drie op een dag. Vanuit de zaal, waar ik tijdens het concert vertoefde, hoorde je niet veel meer dan gejoel en gegil”.
   Hebben jullie die dag contact gehad met de Stones?
   Frank: “Alleen Wil Nimis, onze toenmalige zanger. Keith Richards viel op zijn petje. Dat wilde hij graag op zijn hoofd zetten. Wil vroeg Keith wat hij er voor bood. Een foto met handtekening, kreeg hij ten antwoord. Dat was voldoende. Die foto heeft Wil nog steeds in zijn bezit”.
 
In de Outsiders-biografie (Jerome Blanes, 1997) kun je lezen dat de Amsterdammers méér succes dan de Stones hadden. Is dat Amsterdamse bluf?
   Frank: “Nee. De Outsiders deden er werkelijk alles aan om het die dag te maken. Wally Tax rolde over de vloer van het podium. De voorstelling begon met de Brabantse Ferraris, wij daarna en toen de Outsiders. Acket had een afspraak gemaakt met een kledingontwerpster. Die had overhemden met bloemetjes erop gemaakt. Of we die maar wilden dragen. Niemand deed het, behalve ik”.
   Het eerste succes van de Bintangs droeg er toe bij dat er meer van dat soort groepen in de streek kwamen. Zoals de Hamlets, Hotlets en Selfkick.          
 
In de top 40
 
 
Met hun eerste platen maakten de Bintangs nog geen hits. De singles werden in de Bovema-studio opgenomen. Ger Hali zat achter de knoppen. Een producer was er niet. Na het optreden in Den Bosch kwam er verandering in de samenstelling van de groep. Dat was trouwens continu het geval. Er bestaat geen groep, geloof ik, die zo vaak van samenstelling veranderd is als de Bintangs. Maar Frank Kraaijeveld was er (bijna) altijd bij.
   Op verzoek van Acket kregen de Bintangs een echte producer. Dat was Peter Koelewijn. Na zijn succes als zanger van liedjes als ‘Kom van dat dak af’ ging Peter achter de schermen werken als producer en liedjesschrijver. In het voorjaar van 1966 maakte de Eindhovenaar furore met ‘You’re the victor’ van Q65. In hetzelfde jaar werkte hij met de Bintangs. “Peter Koelewijn”, schreef Frank in ‘Fifty-Fifty’, “had een totaal andere aanpak dan we gewend waren. Het moest commercieel, het moest geil, met een zachte G. In de GTB-studio in Den Haag werd de single ‘Splendid sight’/ ‘Sixty Dollar Boss’ opgenomen. Wil Nimis was uit de band gegaan. Gus Pleines [de nieuwe zanger] zong, volgens Peter, niet geil genoeg”. Er kwam een fles vieux aan te pas om datgene te bereiken wat Koelewijn voor ogen stond. Maar een hit leverde het niet op.
 
 
103 - Geleick Juul knoppen
Juul Geleick achter de knoppen
 
Volgens Kraaijeveld waren de Bintangs op z’n best aan het eind van de jaren zestig. De groep bestond toen uit Jan Wijte (gitaar, dwarsfluit), drummer Aad Hooft, zanger/mondorganist Gus Pleines en Frank op basgitaar en zang. In die tijd waren ze muzikaal helemaal in hun element. “Omdat we opereerden in het idioom van de Rolling Stones had Juul Geleick, technicus bij radio Veronica, belangstelling voor ons. Tijdens een optreden kwam hij naar ons kijken”. Niet veel later kregen de Bintangs vijf dagen studio van Phonogram om een album op te nemen met de veel gevraagde producer Tony Vos. De voormalige presentator en programmaleider van Veronica was succesvol met Rob Hoeke, Cuby & The Blizzards en Boudewijn de Groot.
   Op de hoes van het album, ‘Blues on the ceiling’, schreef deejay Lex Harding: “Op een dag in het voorjaar van 1969 komt Juul Geleick naar me toe en vertelt me dat hij met Tony Vos naar de Bintangs is geweest. Ik weet dat er buiten de Rolling Stones niet zo erg veel groepen voor Juul bestaan en daarom maakte zijn enthousiasme me nieuwsgierig. Een paar weken later krijg ik een telefoontje van Tony Vos: hij vraagt of ik wat op de hoes van de elpee van de Bintangs wil schrijven. Hij stuurt de banden en ik beluister de hele elpee een paar keer. Ik probeer de muziek ergens mee te vergelijken, maar dat lukt niet. Het zijn geen onbekende nummers, maar de manier waarop is anders, nieuw. Interessante arrangementen en een heleboel verschillende instrumenten.
   Diezelfde week nog ga ik naar de Bintangs toe en zie ze spelen in een dorpje in Brabant. Daar wordt het me duidelijk wat de Bintangs zijn: vier jongens die een creatieve eenheid vormen en zichzelf zijn. Zij hebben maar een doel: muziek maken en creatief bezig zijn in navolging van favorieten als Snooks Eaglin, Howling Wolf, Muddy Waters, Son House, Little Walter en The Rolling Stones. De Bintangs maken iets nieuws van een oud thema. Ze leggen er iets van zichzelf en van deze tijd in. De Bintangs zijn gelukkig als ze kunnen spelen en met die instelling werd deze elpee gemaakt. Daarom is ‘Blues on the ceiling’ een uniek eigentijds gebeuren”.
   Jaap Drupsteen was de ontwerper van de hoes van het album.
 
 
103 - Bintangs 1969 hoes Blues Ceiling
Blues on the ceiling, ontwerp Jaap Drupsteen
 
 
Ondanks de aanbeveling van Lex Harding werd de langspeelplaat niet onmiddellijk een succes. De single met het nummer ‘Smokestack Lightning’ (Howling Wolf) werd niet opgepakt door de radio. Phonogram had echter vertrouwen in de ‘Stones van Kennemerland’. In ‘Fifty-Fifty’ legde Frank uit hoe verder ging. “We hoorden ‘Ridin’ on the L+N’ op een EP’tje. John Mayall samen met Paul Butterfield. In de tijd van ‘Blues on the ceiling’ speelden we het nummer al live. Zoals altijd maakten we van iets bestaands iets eigens. De producer was Tony Vos, de man van Tineke de Nooij van Veronica. Na de LP moest er een nieuwe single uitgebracht worden.
   In Beverwijk huurden we op het Meerplein een zaaltje om met Tony een keuze te maken. We hadden tijdens een vergadering besloten om ‘Ridin’ on the L+N’ trager te maken, meer in de stijl van ‘Talkin ’bout you’ van de Stones [en Chuck Berry]. Traag en stroperig. Gus Pleines zou de lead-vocals doen. Jan Wijte speelde een geweldige, schreeuwende fluitsolo, Robbie van Donselaar [nieuw bandlid] een vette slide-gitaar riff.
   Tineke, die ook mee was, viel als een blok voor het nummer. Dit werd het dus. In de Phonogram-studio in Hilversum [Honingstraat] werd, in het bijziijn van Lex Harding, de hit geboren. We wisten meteen dat het goed zat. Een mix van rauwe rhythm & blues en vette rock. Dit was wat later genoemd werd: de moddervette Hoogoven-sound”.
   Met ‘Ridin’ on the L+N’ haalden de Bintangs de twaalfde plaats in de top 40. Het succes had nog een ander, onbedoeld, effect, aldus Kraaijeveld. “Op een gegeven moment hoorde ik op de radio een live-opname van John Mayall met ‘Ridin’ on the L+N’. Die had ons arrangement overgenomen, het tempo, de riff, het stoppen met ‘Well, well, well’”.
 
 
103 - Kees Kranenburg, John Schuursma & Boudewijn in Phonogram
Tony Vos op de grond in de Phonogram-studio
 
 
Het betrekkelijke van succes
 
 
De Bintangs was een van de topgroepen van Nederland geworden. De volgende single. ‘Travelling in the USA’ haalde zelfs de top 10. Het gelijknamige album viel eveneens zeer in de smaak. Ook andere leden van de familie Kraaijeveld deden mee. Broer René maakte de hoesfoto voor het album. Broer Arti was al eerder lid van de band geweest. Maar toen de hits uitbleven verhuisde hij naar Spanje. Als gevolg van de doorbraak met ‘Ridin’ on the L+N’ kwam hij terug in Nederland en sloot zich opnieuw bij de Bintangs aan. Arti was bovendien de componist van ‘Travelling in the USA’. De groep had niet alleen een top 10-hit, het was zelfs een eigen song.
   Door die hits regende het goed-betaalde optredens. Dat werkte prima voor hun jonge manager, John Drogtrop uit Haarlem. De Bintangs werd synoniem voor big business. In de GPD-pers verscheen begin 1970 een artikel met de titel: ‘Cats en Bintangs als vlaggedragers. Omzet van 3,5 miljoen bij theaterbureau Volendam’. Drogtrop was een fusie aangegaan met het succesvolle bureau. Hij was er directeur geworden. Zijn collega-directeuren waren de broers Jan en Jaap Buys. Jan hield zich vooral met de Cats bezig, Jaap met George Baker. In totaal had het bureau op dat moment niet minder dan 36 groepen exclusief onder contract, waaronder Unit Gloria en de Left Side.
   John Drogtrop (21 jaar) was niet bescheiden over zijn aandeel in het succes, kon je in het artikel lezen: “Ik was vijftien en zat op school. Mijn buurman, Aad Hooft, nu drummer van de Bintangs, had een beatgroepje en ik had een bandrecorder. Dus ik sloeg aan het opnemen. Die groep was zo ongeveer het slechtste wat er ooit in Nederland geweest is. Maar ik vond het allemaal prachtig”.
   Na een paar jaar voerde Drogtrop naar eigen zeggen het management over dertien groepen. “De Cats kregen hun grote hits, de Bintangs waar ik twee jaar mee had lopen leuren, werden ineens overal gevraagd, nota bene voor ze hun hits scoorden. De hele toestand is ons eigenlijk een beetje boven het hoofd gegroeid. We werken vaak tot vier uur ’s nachts. Binnenkort moet ik weer een paar vertegenwoordigers aannemen en een secretaresse”. Volgens de redacteur had ‘John Drogtrop reden om te lachen. Zijn groepen komen gemiddeld tien keer per dag op Radio Veronica. Hoog in de top veertig prijken de Cats, Unit Gloria en Bintangs’.
 
 
103 - Cats - Bintangs 1970 02 14
 
 
Als de Bintangs ergens in het land optraden ging er meestal iemand van bureau Volendam mee, zoals Larry Buys, een broer van Jan en Jaap. Larry was volgens Frank gewend om met de Cats op stap te gaan. Die waren overal welkom, zelfs midden in de nacht als ze van een concert terug naar Volendam reden. Als ze ergens aanklopten werden ze in wegrestaurants met open armen ontvangen. Regelmatig kregen ze een hele maaltijd gepresenteerd. Bij de Bintangs ging dat niet zo, moest Larry ervaren. “Wij werden veel minder gastvrij behandeld, ondanks onze bekendheid”.
   Door het succes ook konden de jongens niet meer hun favoriete muziek maken zoals ze dat een paar jaar eerder gedaan hadden. Althans dat vond men in de groep. Ze moesten zich aansluiten bij wat ze dachten dat het publiek van hen verlangde, verzuchtte Frank Kraaijeveld in Heiloo. “In plaats van bewerkingen van rhythm & blues-muziek moesten we zo nodig hele lange nummers spelen. Die duurden een kwartier of meer. Jan Wijte speelde dan uitgebreid fluit-solo’s. Het was min of meer psychedelische muziek. Daar waren onze oude fans niet voor gekomen. Die gingen teleurgesteld naar huis. De groep was intussen organisatorisch omgevormd. Alle inkomsten gingen naar de band. Alle instrumenten waren eigendom van de band. Wat er moest gebeuren werd met meerderheid van stemmen besloten. Het was de tijd van de ‘demokrasie’.
   Tijdens een vergadering in 1970 ging het zo ver dat Arti en ik uit de Bintangs gezet werden. Onze eigen groep. We stonden op straat. We waren zelfs onze eigen gitaren kwijt”.
   Hebben jullie met de Bintangs veel geld verdiend vroeg ik. En hoe zat het in het buitenland?
   “We konden er inderdaad goed van leven. Maar al het geld, plaatroyalties en inkomsten van de optredens gingen in de kas van de band. Voortdurend moesten er nieuwe spullen aangeschaft worden. Onze platen werden in een heleboel landen uitgebracht. In Duitsland vooral verkochten we heel veel, meer nog dan in Nederland. Maar omdat het land zo groot was, bleek dat niet voldoende om op de hitlijsten te verschijnen”.
 
Uit pure nood begonnen Arti en Frank met z’n tweeën maar een nieuw bandje. Bij Phonogram kregen ze Boudewijn de Groot als producer toegewezen. Ze lieten de zanger tal van ideeën horen. Voor Boudewijn stond onmiddellijk vast wat ze moesten opnemen: een cover van het aloude ‘Mona Lisa’. Dat was als langzaam nummer oorspronkelijk een hit voor Nat ‘King’ Cole in 1950. Rock & roll-artiesten hadden het opgepakt en stevig aangepakt. De versie van Carl Mann bereikte in 1959 positie nummer 25 in de Billboard met een up-tempo versie. Lieten jullie je door Mann inspireren, vroeg ik.
   Van Frank hoorde ik dat met name de uitvoering van Conway Twitty indruk gemaakt had. In ‘Fifty-Fifty’ las ik dat de vroege Bintangs-zanger Wil Nimis met ‘Mona Lisa’ op de proppen was gekomen. “Via Wil leerden we Otis Redding, Booker T., The Coasters, Conway Twitty, Fred Neil en Paul Butterfield kennen. Wil kwam aan met nummers als ‘Blues on the ceiling’, ‘Born in Chicago’, ‘St. Louis Blues’, ‘Just taking a drink’ en ‘Mona Lisa’”.
   ‘Mona Lisa’ van ‘Kraaijeveld’ haalde in Nederland dezelfde positie als de versie van Carl Mann in de VS: nummer 25.
 
 
Andere tijden
 
 
103   Kraaijeveld Frank, Gérard Bed 1973.05 (Hans Becker)
Frank Kraaijeveld en Gérard Bed bij Veronica-blad (foto Hans Becker)
 
 
Terwijl de Bintangs en Kraaijeveld voortploeterden om aan de bak te blijven, kon Frank Kraaijeveld ervan profiteren dat hij ondanks de muziek in de jaren 1962-1966 de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam doorlopen had. Als grafisch ontwerper aan wat nu de Gerrit Rietveld Academie heet was hij afgestudeerd. De hoes van het album ‘Travelling in the USA’ van de Bintangs had hij zodoende ontworpen. Het toepassen van grafische technieken was een belangrijke uitlaatklep in tijden dat het muziek maken wat minder goed ging.
   Kraaijeveld kwam terecht bij platenmaatschappij Ariola in Haarlem. “Van Gérard Bed, reclamechef bij Ariola, hoorde ik dat Rob Out (Veronica) mensen zocht. Samen met Gérard ging ik bij hem op bezoek. Out wilde het Veronica-blad meer dynamisch maken, meer ‘van die tijd’. Ik kon meteen aan de slag (freelance) als verantwoordelijke voor de vormgeving”.
   Frank bleef ruim dertig jaar betrokken bij het blad. In goede tijden en in slechte tijden. “Toen radio Veronica door de politiek uit de lucht gehaald werd moesten we zien te overleven. We vochten ervoor om tot het omroepbestel toegelaten te worden. Wat Veronica in die tijd overeind hield waren de top 40 en het Veronica-blad. Een kantoor in Hilversum had ik niet meer. Rob Out kwam elke week met de kopij en spullen bij me thuis. Op basis daarvan deed ik de productie van het blad. Geld was er niet. Ik meen me te herinneren dat we zo weinig middelen hadden dat we wel eens een week moesten overslaan met verschijnen. Dat veranderde dramatisch toen we formeel erkend werden. Ineens was er een pot met overheidsgeld. Het kon niet op. Bovendien schoot de oplage van het blad als een raket omhoog. Met 100.000 abonnees per maand! In korte tijd zaten we op 1,25 miljoen. We werden uiterst aantrekkelijk als advertentie-medium. Bovendien werd ik art-director van Body-line en de andere tijdschriften die door Out werden uitgegeven. Door zorgvuldig met de inkomsten ervan om te gaan kan ik nu rondkomen”.
 
Evert Wilbrink, een collega van Bed bij Ariola, werkte eveneens freelance voor het Veronica-blad. Evert schreef recensies van popalbums. Frank en hij hadden regelmatig contact. Dat kwam van pas toen de Bintangs elkaar weer wisten te vinden in 1974. Frank werd opnieuw prominent lid van de groep.
   Na een tijdje hadden ze ruim voldoende repertoire om een nieuw album op te nemen. “Evert wist dat platenmaatschappij Inelco belangstelling had. Dankzij die tip kwamen we onder de hoede van Wim Brandsteder (directeur van Inelco) en Wim Landman (muziekuitgeverij Universal Songs, verbonden aan Inelco)”.
   Het repertoire was er. “Ik hoorde een plaat van Link Wray, ‘Beans and Fatback’”, schreef Frank. “Wat een productie. Zo moesten de Bintangs klinken. Van alle opsmuk ontdaan. Ik belde Evert Wilbrink en vertelde hem wat ik voelde. Hij voelde mee en zei dat hij de week erop naar Engeland ging voor een bespreking met Steve Verroca. Het toeval wilde dat Steve de producer was van bovengenoemde LP. Wij gaven de demo mee aan Evert. Bij terugkeer vertelde hij dat Steve de LP zou produceren. Half februari 1975 zaten we in de Rockfield Studio in Wales. In die studio had Dave Edmunds zijn hit ‘I hear you knocking’ opgenomen. De nieuwe groep Queen nam er ‘Bohemian Rhapsody’ op.
   Na enkele moeilijke gesprekken over de repertoirekeuze (Verroca had zelf liedjes voor ons geschreven) begonnen we aan een sprong in het duister. Het pakte heel verfrissend uit. Door een actie van de platenmaatschappij en de uitgeverij werden we bovendien serieus genomen door de media. Willem Hoos van het Veronica-blad kwam op bezoek, net als Jip Golsteijn van de Telegraaf. Ook werden we gebeld dat we een uur live-tv kregen in het programma ‘Nederpopzien’. VARA-producer Peter van Halm en presentator Bert Jansen bleven een paar dagen in de Rockfield-bungalow. Tot diep in de nacht draaiden we de ruwe mixen van de nummers die af waren”. De elpee, getiteld ‘Genuine Bull’ en uitgebracht op het RCA-label werd door Veronica uitgeroepen tot album van de week en haalde de 26ste plaats in de album-hitlijst.
   De Bintangs stonden, zelfs zonder hitsingle, opnieuw in het middelpunt van de belangstelling. Opnieuw ook werden ze een veelgevraagde live-band. De groep bestond op dat moment uit Frank Kraaijeveld, Gus Pleines, Harry Schierbeek, Jack van Schie en Japie Castricum.
   En zo ging het door met vallen en opstaan – en steeds wisselende bezetting. Toen de single ‘I wanna be your cigarette’ in 1983 bij Polydor verscheen deden behalve Frank ditmaal Frits van der Mey, Don en Steef Verdier mee. Steeds meer werd de groep, zo komt het me voor, een project van Frank Kraaijeveld persoonlijk.
 
   Curieus is de huidige samenstelling. Twee leden van de Bintangs zijn afkomstig uit een ‘Bintangs-gerelateerde’ groep, Bad to the Bone uit Utrecht. “Ze kenden het repertoire van haver tot gort. Ze speelden het precies zoals het vroeger geklonken had”, vertelde Frank. De nieuwe zanger, Dagomar Jansen, is de zoon van Jimmy Jansen, de eerste drummer van de groep in 1961. “We zagen hem regelmatig bij optredens. Toen de Bintangs een chauffeur nodig hadden om de bus naar optredens te rijden werd Dagomar gevraagd. Daarna werd hij een echte roadie. In 2004 stopten de Bintangs even omdat Gus Pleines, Burt van der Meij en Jack van Schie de groep verlieten. Audities gedaan, maar dat leverde niets op. Totdat Dagomar bij zo’n repetitie aanwezig was en we bezig waren met een nieuwe song. Ik vroeg Dagomar om tweede stem te zingen in een refrein en de klik was er meteen. Dagomar was nog niet geboren toen zijn vader de drummer was. Nu is de zoon volledig bandlid. Hij is een volwaardig opvolger van Gus Pleines, de zanger van ‘Riding on the L+N’ en ‘Travelling in the USA’”.
 
 
103 - Diddley, Bo
Bo Diddley
 
Zonder dat ik Frank vroeg over vooruitgang en vernieuwing in al die jaren nam hij zelf het woord. Er zijn grenzen aan steeds weer vernieuwen, vertelde hij. “In de schilderkunst houdt het op bij een wit vlak. Bij muziek gaat het er niet om dat de muzikanten laten horen hoe goed ze kunnen spelen. Dat kan zelfs averechts werken. Muziek moet uit het hart komen, dat is het enige dat telt. Ik heb er een mooi voorbeeld van. Een aantal jaren geleden ging ik naar een concert van Bo Diddley in Paradiso. In het voorprogramma hoorde ik uitstekend spelende muzikanten. Maar het deed me niets. Na de pauze kwam Bo Diddley. Hij plugde zijn gitaar in en begon. In alle eenvoud. Je hoorde muziek in de meest simpele vorm. Voor iedereen was het onmiddellijk duidelijk dat Bo Diddley daar stond de spelen. Dat is toch waar het om gaat? Hij was fantastisch”.
 
Harry Knipschild
27 maart 2012
 
website Bintangs: www.bintangs.nl
 
Clips
 
Literatuur
 
Lex Harding, hoestekst ‘Blues on the ceiling’, Phonogram 1969
‘Cats en Bintangs als vlaggedragers. Omzet van 3,5 miljoen bij theater-bureau Volendam’, Leidsch Dagblad, 14 februari 1970
Jon Wiener, Come together. John Lennon and his time, New York 1984
Adriaan van Dis, Indische duinen, Amsterdam 1994
Jerome Blanes, Outsiders door Insiders. De Amsterdamse legende in woord en beeld, 1997
Frank Kraaijeveld, Bintangs Fifty-Fifty. 50 Jaar Nederlandse rockhistorie in 50 korte verhalen, Haarlem 2011