Zoeken

 
 
 
In de loop van de negentiende eeuw waren vooral Frankrijk en Groot-Brittannië actief in het verwerven van nieuwe gebieden, waar ook ter wereld. Steeds verder trokken de avonturiers uit die landen weg om de baas te spelen over de ‘inlanders’ en hun produkten.
   Voorlopig speelden de Duitsers geen rol van betekenis. Dat kon moeilijk want ‘Duitsland’ was begin negentiende eeuw niet meer dan een verzameling vorstendommen, groot (Pruisen, Oostenrijk) en klein. In 1870 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Pruisen. Het laatstgenoemde land kreeg echter de overhand in de strijd. In Versailles liet Otto van Bismarck het nieuwe Duitse keizerrijk uitroepen. Duitsland (zonder het uitgestoten Oostenrijk) was onder leiding van de Pruisen één natie geworden.
 
Het keizerrijk deed voorlopig niet mee aan de wedloop tot verovering van verre landen. Er was genoeg te doen in eigen land. Toen de interesse eindelijk op gang kwam waren grote stukken op de wereldbol al verdeeld tussen de Britten en de Fransen. Duitsland moest zijn ‘plekje onder de zon’ vinden in wat er nog over gebleven was. De (potentiële) veroveraars kwamen bijvoorbeeld terecht in het oosten van Nieuw-Guinea en eilanden op de Stille Zuidzee.
   In het maandblad Katholieke Missiën werden anno 1892 twee reportages opgenomen over de missie op de Salomonseilanden en de Bismarck-archipel. Bisschop Couppé had er namens Rome de leiding. In 1889 was de regio door de Propaganda Fide (het ‘ministerie van missie’ in het Vaticaan) uitgeroepen tot apostolisch vicariaat.
   “Het missiegebied omvat vooreerst de eilanden van de Salomonsarchipel, welke in 1567 ontdekt werden door de Spaanse zeevaarder Mendosa. Vervolgens de Admiraliteitslanden, vijf en twintig in getal, ontdekt door de Nederlandse zeevaarders Lemaire en Schouten. Sinds het jaar 1886 zijn deze eilanden erkend als buitenlandse bezittingen van Duitland. Hun namen zijn veranderd in Nieuw-Mecklenburg en Nieuw-Pommeren”.
 
 
47 1 kaart archipel
 
 
Tropische eilanden
 
 
De Europeanen die er arriveerden hadden weinig moeite met de natuurlijke omstandigheden. “Geen onafzienbare woestijnen schrikken de verkenner af, en ijsrotsen, die hem het voortgaan beletten”. Integendeel. “Wie vanuit de volle zee zijn blik daarheen werpt staat verrukt over het heerlijk schouwspel dat ze bieden. Reusachtige bergen, met het hoofd in de wolken, en een gordel van sombergroene wouden rijzen daarginds. Aan hun voet strekken zich welige valleien uit, besproeid en overdekt met dankbare weilanden, afgewisseld door kokos-plantsoenen”.
   Een verrukkelijk vooruitzicht dus. “De rook die hier en daar uit het struikgewas omhoog kronkelt, verraadt een dorpje. Al wat de toeschouwer, zelfs op verre afstand, waarneemt, zegt hem dat de plantengroei daar in een staat van weelde verkeert die misschien nergens overtroffen wordt”.
 
 
47 2 uitzicht op Bismarck archipel
Uitzicht op Bismarck-archipel
 
 
Zo simpel was het nu ook weer niet. Er waren nog werkende vulkanen. “Zes jaar geleden heeft een uitgewerkte vuurberg zich in zee gestort aan de westkust van Nieuw-Pommeren. De hierdoor verplaatste watermassa verwoestte de naburige stranden en doodde een gezelschap Duitse natuurkundigen, niet ver van daar werkzaam. Schepen, welke in Finshhaven ten anker lagen, werden op de kust geworpen. In die zelfde tijd had in de Salomonsarchipel een voorval van gelijke aard plaats. Daarbij vonden enige inlanders de dood. Een Europese nederzetting werd vernield”.
   De Europeanen liet zich door die incidenten niet ontmoedigen. “De Duitse regering [in Berlijn] heeft de ontginning in handen gesteld van een genootschap dat als middelpunt van arbeid Finshhaven gekozen. Ook de gouvernementscommissaris heeft er zijn zetel. Twee stoomkruisers varen om de zes weken. Ze onderhouden geregelde gemeenschap met de havenplaatsen van de Bismarck-archipel en Java (Nederlands-Indië)”.
   Spoedig kwamen er plantages voor koffie en katoen. Honderden inboorlingen werden er toe aangezet om als arbeiders aan de slag te gaan. Bovendien werd meststof in grote hoeveelheden naar Europa geëxporteerd.
 
 
De mensen
 
 
De Europeanen kregen naar eigen zeggen met specifieke problemen te maken. “De hindernissen welke hen tegenhouden komen van de zijde der inboorlingen. Hun onbeschaafdheid en verdierlijking worden bij geen andere wilden in zulke mate aangetroffen”. Met ‘wilden’ bedoelde de redactie de inwoners van nog onbekende streken in Afrika en elders.
   De Europeanen waren erin geslaagd inlanders (Kanaken) als arbeiders aan te werven. Dat kwam vooral de immer aanwezige missionarissen goed uit. Als ze die nou eens konden bekeren. Dan hadden ze een mooi opstapje om later tot het binnenland door te dringen.
   De Duitsers lieten de paters hun gang gaan. “De regering ziet de noodzakelijkheid in van een godsdienstige opvoeding van deze arme wilden – om hun zeden te verzachten en hen van lieverlede te beschaven. Zij laat de verkondigers van het evangelie dan ook de nodige vrijheid tot volvoering van hun edele taak. De verspreiding van de christelijke leer zal de Duitsers helpen om dieper het binnenland door te dringen”.
 
Om hoeveel ‘zielen’ het ging was voorlopig nog niet duidelijk. Aardrijkskundigen waren nog in de weer met berekeningen. Maar voor de kerk was het aantal in 1892 van minder belang. “In ieder geval woont hier een volk dat eeuwen lang door Satan in de schandelijkste slavernij is geklonken. Meer is er voor priesters, bezield met liefde voor God en hun evenmens, niet nodig om tot die ongelukkigen te snellen en hen deelachtig te maken aan de zegeningen van Christus”.
 
 
Bestudering van de bevolking
 
  
Om goed te weten wat ze moesten doen om de mensen ter plaatse te kunnen bekeren was het voor de missionarissen noodzakelijk hun manier van leven te bestuderen. Dat was schrikken.
   De mensen waren niet eens fatsoenlijk gekleed. “Deze volkeren zijn verregaand bedorven. Van kleding, van zelfs de geringste bedekking, hebben vrouwen zo min als mannen geen begrip. Ze missen alle schaamtegevoel. Zij vinden echter groot behagen in armbanden, schelpsnoeren om hals en bovenarm, een stukje dwars door het neusschot, gekleurde blokjes en allerlei snuisterijen in hun uitgerekte oorlellen, glanzige en gekleurde haren en veren op de schedel. Op hun feestdagen komen ze, aldus opgemaakt, te voorschijn. Het tatoeëren is algemeen in gebruik”.
 
 
47 3 ansichtkaart uit Bismarck archipel
ansichtkaart uit Bismarck-archipel
 
 
Vooral de godsdienst van de Kanaken had natuurlijk belangstelling. Die was grotendeels gebaseerd op ‘naïeve legenden’. Er waren, ontdekten de paters in hun ‘nasporingen’, twee scheppende wezens – de ene (Tokambanina) was goed, edelmoedig, weldadig. Hij beminde de mens en streefde ernaar hem wel te doen. De andere (Fokorvoevoe) was boos en bedorven. Al wat aan goeds verricht werd, werkte hij tegen. Hij was er voortdurend op uit de mensen te bestrijden en te benadelen.
   Goed en kwaad dus, zoals je dat in meer religies aantreft. Bovendien was er een gevaarlijke slang die met de duivel vergeleken werd.
 
 
Een verkeerd paradijs
 
 
Ook de Kanaken konden een goed en eeuwig bestaan verwerven na het aardse bestaan. “Hun paradijs is zonderling. Zij geloven dat de ziel van de rijken en opperhoofden naar een plaats gaat waar die naar hartelust kan roken, eten en zich vermaken. Die van de arme mensen blijft echter in het dorp. In de nachtelijke uren hoort men dan kermen en zuchten. De arme overledenen verschijnen af en toe aan hun bloedverwanten om hen schrik aan te jagen”.
   De Europese missionarissen ontdekten echter dat eeuwige pret van de rijken in het paradijs niet vanzelfsprekend was: “Hun verwanten moeten veel geld (muntschelpen) van de overledene uitdelen en danspartijen, maaltijden en openbare feesten geven. Doen ze dat niet dan blijft de ziel van alle geluk verstoken. De bloedverwanten worden dan bovendien aan veel kwelling blootgesteld”.
 
Het ‘geld’ moest dus in zekere zin goed rollen. “De hoop op toekomstig heil heeft alleen rijkdom tot grondslag. Het is nauwelijks te geloven hoeveel moeite de inlanders zich geven, hoeveel ontberingen zij zich getroosten gedurende hun leven om divaras (muntschelpen) bijeen te schrapen”.
   Het vergaren van rijkdom had één voordeel. Stammen-oorlogen duurden meestal niet lang. Ze kostten te veel geld. “Een oorlog kan voor een opperhoofd en diens gezin volslagen ondergang en verlies van fortuin ten gevolge hebben. Vandaar dan ook dat hij, zodra de oorlogskansen zich tegen hem keren, niet lang wacht met het doen van vredesvoorstellen, dit om de onkosten niet al te hoog te laten oplopen”.
 
 
47 4 gevecht
stammenoorlog (afbeelding uit missieblad)
 
 
Het werd tijd dat de inwoners van de nieuwe Duitse bezittingen in de Stille Zuidzee eens gingen beseffen dat ze het helemaal bij het verkeerde eind hadden. Hun rare religie was op verkeerde veronderstellingen gebaseerd. De mannen die uit West-Europa gekomen waren wisten wel beter. “Mogen zij [de inboorlingen] weldra beseffen dat de goddelijke genade en de beoefening der deugd de enige geldige divara is na de dood! Maar als ze evenveel voor God doen als voor het vergaren van muntstukken, in dat geval zullen er grote heiligen onder hen opstaan”.
 
 
Geen sacrament van het huwelijk
 
 
De paters hadden niet alleen moeite met de visie van de Kanaken op het eeuwige leven. Ook hun huwelijksmoraal kon niet op hun goedkeuring rekenen. Het zou heel wat moeite gaan kosten om het sacrament van het huwelijk hier in te voeren. “Van een gezin hebben zij geen begrip. Zodra een jongeman tot de huwbare leeftijd gekomen is, koopt zijn oom van moederszijde een vrouw voor hem. Maar de gehuwden blijven na de gesloten vereniging vrij om van elkander te scheiden, mits de koopprijs wordt terugbetaald. In zulk geval kunnen beiden een ander huwelijk aangaan.
   De gehuwden blijven elkander vreemd. Zelfs de maaltijd is niet gemeenschappelijk. En indien de vrouw het verkiest zal zij in het plantsoen van haar echtgenoot werken – maar dan wel tegen betaling”.
 
Zolang de Europese missionarissen het niet voor het zeggen kregen mocht een man in deze regio bovendien meer dan één echtgenote hebben.
   “Veelwijverij is geoorloofd. Maar alleen opperhoofden brengen dat in de praktijk. Bovendien heerst hier de zonderlinge gewoonte dat kinderen niet bij hun vader of moeder horen. De ouders hebben geen recht op de kinderen. Die ontvangen dan ook geen liefdeblijken, zorgen, onderhoud of erfenis van hun ouders. Zelfs niet hun naam. Onmiddellijk nadat de zuigelingen gespeend zijn, komen zij bij hun oom van moederszijde thuis – en onder diens voogdij”.
 
 
Menseneters
 
 
De mensen met wie de Europese priesters nu te maken kregen hadden nóg een slechte gewoonte: ze deden aan kannibalisme, was in het missieverslag te lezen. “Thans blijkt dat niet slechts Afrika afschuwelijke kannibalen herbergt, maar ook de mooie eilanden bij Australië. Het eten van mensenvlees hoort er tot de volkszeden in bijna heel het missiegebied.
   In oorlogstijd is het bij alle stammen gebruikelijk de vijanden op te eten welke hen dood of levend in handen vallen. Bovendien gaan sommige inlanders geregeld op mensenjacht om hun dagelijks voedsel niet te ontberen.
   In sommige districten is mensenvlees alleen op feestdagen de hoofdschotel. Dan wordt de kannibalen-maaltijd voorafgegaan door dansen, openbare vermakelijkheden en duivelse tonelen”.
   Niet voor niets stond het vicariaat Nieuw-Pommeren bekend als de ‘boosdoenereilanden’ of ‘moordenaarslanden’.
 
 
47 5 kannibalenfeest
 
 
Wellicht werden de Europeanen die naar deze verre streken reisden om die, als ze de kans kregen, hun wil op te leggen, ook als vijanden behandeld. Katholieke Missiën rapporteerde het als volgt: “De eerste zeevaarders, die hier aan land kwamen, moesten spoedig de wreedheid van de inlanders ondervinden. Ook later werden verkenners afgeschrikt door hun barbaarsheid.
   Het is bekend dat twee paters Maristen en een broeder in 1847 door de wilden van een van de Salomonseilanden gevangen genomen werden en bij gelegenheid van een feestmaal opgegeten zijn. Omdat de overige missionarissen gevaar liepen hetzelfde lot te ondergaan waren ze genoodzaakt het eiland (San Christoval) te verlaten. In Nieuw-Mecklenburg zijn verscheidene blanke bewoners van de kolonie Port Breton eveneens geslacht en opgegeten.
   Met zekerheid weet men ook dat verscheidene handelaren in kokospitten en hun bemanning in handen van de menseneters gevallen zijn. Verleden jaar zijn nog vijf of zes Europeanen in Nieuw-Mecklenburg opgegeten”.
 
De helper van een protestantse zendeling was hetzelfde overkomen. En er waren er meer. “Predikant Brown vertelde dat een inlands opperhoofd hem 76 inkervingen liet zien op een van zijn kokosbomen. Het was een aanwijzing van het aantal ter plaatse gekookte en opgegeten menselijke lichamen. Op het eiland San Christoval werden voor grote feesten soms twintig personen tegelijk geslacht. We vernamen dat de grootste lekkernij van de inlanders bestaat uit een schotel van met sago en kokosmelk toebereide mensenhersens”.
   Niet alleen missionarissen en andere ‘allochtonen’ konden gevangenen genomen en geconsumeerd worden. Er waren tevens onderlinge mensenjachten. Dan waren vooral de kinderen in trek.
   “Er bestaan dorpen waarvan de inwoners geregeld rooftochten houden. Zulke jachten duren vaak verscheidene weken. In het gras verscholen bespiedt een groep rovers de begeerde prooi. Op een gegeven teken bespringen ze die. De volwassenen slaan ze met knotsen dood en maken zich vervolgens meester van de kinderen die zich niet verweren of vluchten kunnen. De slachtoffers worden het bos ingesleept en strekken de overwinnaars verscheidene weken tot voedsel. Als de voorraad opgebruikt is wordt tot een nieuwe jacht besloten”.
 
 
Matigende rol van de missionarissen
 
 
De missionarissen, die heelhuids gebleven waren, probeerden de Kanaken naar eigen zeggen te overreden te stoppen met die gewoonte van het eten van mensenvlees. Een van hun methodes was het kopen van gevangen genomen inlanders. De paters deden wat ze konden, was de strekking van het verhaal.
   De eerder genoemde bisschop Couppé maakte een reis van zijn exotische bisdom naar Europa. “Hij verzocht de kapitein van het schip onderweg de rede van Baining aan te doen. Bij aankomst vond de gezagvoerder er niets anders dan een klein meisje. De inwoners van die plaats gaven de prelaat te verstaan dat hij een weinig laat kwam. ‘Als u een week of drie vroeger gekomen was, had u hier zeer veel kinderen kunnen kopen. Wegens de onstuimigheid van de zee waren wij niet in staat op visvangst uit te gaan. Daarom waren wij genoodzaakt hen op te eten’”.
 
Couppé slaagde er desondanks in twee jongens, een van zes en een van acht, mee naar Frankrijk te nemen.
   “Hij had de beide kinderen gekocht van de Papoea’s, die hen opvoedden om op een der grootste volksfeesten geslacht en opgegeten te worden. Op 12 mei 1890 schonk de missiebisschop de twee knaapjes aan de Kerk van Christus door middel van het heilig doopsel. Tijdens de lange reis had de prelaat alle beschikbare tijd besteed aan van de kinderen, die blijk gaven van goede aanleg en vlug begrip. Met deze plechtigheid in de kathedraal van Nantes werd de aandacht van de Franse katholieken naar het land van hun geboorte, in de Stille Zuidzee, getrokken”.
 
Wie zou het aandurven om als missionaris naar die verre streken te trekken voor de verkondiging van het geloof? Toch was dat de bedoeling.
   “De katholieke missie, thans nog in haar wordingstijdperk verkerende, heeft haar arbeid met ijver en apostolische moed aangevangen. Eerlang zal het ons, naar wij hopen, gegeven zijn de vruchten ervan te beschouwen, en te mogen berichten dat deze ellendige barbaren het loden juk van Satan verwisseld hebben tegen het zachte van Christus”.
 
 
Harry Knipschild
3 december 2014, 29 augustus 2017
 
Dit artikel werd eerder geplaatst op de website www.katholiek.nl