Zoeken

 

Ronnie Splinter werd op 27 augustus 1948 in Amsterdam geboren. Zijn vader was een ondernemende man. Zo begon hij een bedrijfje dat wasmachines verhuurde. Elke dag bracht Splinter senior het zware apparaat op een ander adres. Met een riem torste de kleine man het op zijn schouders. Hij had bovendien belangstelling voor muziek. In huis stond een hammondorgel waar hij evergreens op speelde. Regelmatig kwam er iemand op bezoek om les te geven.

   Ronnie was de jongste van vier kinderen, vertelde hij me op 13 oktober in zijn Amsterdamse flat. Zijn ouders woonden op één verdieping en waren klein behuisd. Elke avond klapten ze de bank van de woonkamer uit om er een bed van te maken. Zijn zus had een eigen kamer. Zelf sliep hij met zijn twee broers in een tussenkamer. Als zijn ouders ’s avonds naar de bioscoop gingen en Ronnie in bed lag, werden er keiharde rock & roll-platen in de woonkamer gedraaid. Van slapen kwam dan niet veel. Uit die tijd kan hij zich ‘Hound Dog’ (Elvis Presley) en ‘Only the Lonely’ (Roy Orbison) nog goed herinneren.

 

Een voor een gingen de kinderen de deur uit, totdat Ronnie met zijn ouders overbleef. Mogelijkheden om te studeren waren er niet. De meeste kinderen brachten het niet verder dan de ambachtsschool. Ronnie was intelligent. Als eerste jongen in de Reinwardtstraat mocht hij naar de Mulo. Buiten schooltijd werkte hij bovendien bij een schoonmaakbedrijf. Dat leverde hem geld op. Zijn broers en zus hadden hun platen meegenomen toen ze het ouderlijk huis verlieten. Ronnie ging van het verdiende geld zelf platen kopen. Vooral instrumentale muziek schafte hij aan. Singles en EP’s van de Shadows, de Ventures, String-a-longs en Duane Eddy. Ronnie had duidelijk een eigen smaak, op het dwarsliggerige af. Meestal waren de b-kanten naar zijn mening beter dan de hits. Voorbeelden daarvan: ‘Scottie’ van de String-a-longs. ‘Memphis’ van de Ventures en ‘Desert Rat’, de achterkant van de Duane Eddy-topper ‘(Dance with the) Guitar Man”.

 
049-1 Eddy, Duane, 1958 
Duane Eddy (1958)
 

Zoals iedereen in die tijd luisterde Ronnie naar Tijd voor Teenagers en de Engelse uitzendingen van radio Luxemburg. Op de televisie zag hij Willy and his Giants en René and the Alligators. Enthousiast was hij van de Jumping Jewels. En niet te vergeten de Amsterdamse Z.Z. en de Maskers. De groep van zanger Bob Bouber en gitarist Jan de Hont zag hij live op een kar achter een vrachtwagen optreden. Ze speelden onder meer een instrumentale versie van ‘La Comparsa’. Dat maakte grote indruk. Van andere Amsterdamse groepen hoorde hij alleen omdat hun fans de naam met menie op de muren kalkten. Zo werd je bekend in de hoofdstad.

  

Ronnie wilde al vroeg zelf muziek maken. In eerste instantie had hij de ambitie drummer te worden. Niet voor niets kocht hij ‘Let there be drums’ van Sandy Nelson. Later stapte hij over op de gitaar. Als schoonmaker verdiende hij niet genoeg geld om er meteen een te kopen, maar gelukkig was zijn vader bereid het geld voor te schieten voor een Welson, een Italiaanse blauwe gitaar. Een versterker had hij niet. Het lukte hem echter het glinsterende muziekinstrument op de pick-up aan te sluiten.

  

Muziek maken met Wally Tax

 

Een van zijn vriendjes in de klas was Wally Tax. De vriendschap werd bezegeld toen ze samen op kamp gingen. Het was hun taak om jongere kinderen in de gaten te houden. Daar kwam niets van. In plaats daarvan haalden ze zelf kattekwaad uit. Met eigen gitaarbegeleiding (Wally had een Egmond) zongen ze liedjes. Wally viel vooral op Amerikaans repertoire. Ronnie maakte het niet uit waar de muziek vandaan kwam, als die maar goed was. Wally en Ronnie deden hun job als oppassers zo slecht dat ze werden weggestuurd.

   Samen met een andere kameraad, Leendert Groenhoff, begonnen ze een bandje dat Jimmy Ravon en de Outsiders ging heten. Zanger Leendert was Jimmy Ravon. Hij vernoemde zich naar het liedje ‘Rave On’ van Buddy Holly (1936-1959). Groenhoff zong liedjes als ‘Oh Boy’ en ‘La Bamba’ van de samen met Holly omgekomen Ritchie Valens. Er werd ook veel instrumentale muziek van de Ventures nagespeeld.

   De eerste optredens waren in kleine zaaltjes, vrijwel altijd in Amsterdam. In Utrecht maakte Ronnie voor het eerst kennis met wat later de indo-rock genoemd werd. “Het was in wezen een grote Indische familie. De jongens speelden gitaar, de meisjes zongen en dansten, vader was min of meer de manager”. De Tielman Brothers heeft hij nooit zien optreden. “Die zaten bijna altijd in Duitsland. Later speelden ze ook in Scheveningen, in een dure tent”.     

 

Outsiders

 

1965, Wally Tax, gitaar, Ronnie Splinter, gitaar en zang
foto uit: Hans van Vuuren, The Outsiders, Beat Legends
 

Toen Groenhoff in 1963 opstapte bleven alleen de Outsiders over. Drummer Leendert Busch en bassist Appie Rammers voegden zich later bij Wally en Ronnie. De groep was nu compleet. Van een taakverdeling was in het begin nauwelijks sprake. Een vaste zanger was er bijvoorbeeld niet. Wally zong liedjes van Buddy Holly en van de Beatles toen die hun eerste hits maakten. Leendert Busch, met zijn rouwe stem, deed ‘Twist and Shout’. Ronnie werd al snel gegrepen door de eerste nummers van de Rolling Stones. Die nam hij als zanger voor zijn rekening. Dat waren vaak goeie versies van Amerikaanse rhythm & blues nummers als ‘Can I get a witness’ (Marvin Gaye), ‘Mona’ (Bo Diddley) en ‘Under the Boardwalk’ (Drifters). Tegenwoordig wordt de overgang van het begin van de jaren zestig naar het beat-tijdperk als een muzikale revolutie gezien. Ronnie heeft er niets van gemerkt. “Het liep gewoon soepel door bij ons”.

   Wel werden de rollen beter verdeeld. Ronnie legde zich meer toe op gitaarspelen. Les nemen, zoals zijn vader dat deed, wilde hij per se niet. In plaats daarvan zocht hij steeds beter uit hoe akkoorden in elkaar zaten. Dat was in het begin nogal moeilijk. Een van de jongens van de Lords, de begeleidingsgroep van de Amsterdamse zanger Rob de Nijs, hielp hem op een keer echter een eind op weg. Toen hij eenmaal zijn draai gevonden had wilde hij niets liever dan gitaar spelen. Wally werd geleidelijk aan naar voren geschoven als het gezicht van de groep.

 

Wally en Ronnie begonnen ook samen liedjes te schrijven. Meestal kwam de zanger met een eigen gemaakte tekst. Wally gaf bovendien aan waar het liedje over ging. In het interessante boek ‘Nederpophelden’ (2006) citeert auteur Peter Sijnke de gitarist: “We componeerden vrij gemakkelijk. Ik vroeg dan: ‘Wat is de sfeer?’ En Wally zei bijvoorbeeld: ‘Drank’ of zo. Dat was om zo’n beetje de toonzetting te weten. We deden dat eerst met z’n tweeën, we kwamen dan bij elkaar thuis. En daarna speelde ik het voor in het repetitielokaal. En de rest vulde het dan in. Er was een beetje een tweedeling in de band. Het was Wally en ik, en Leendert en Appie, dat waren jeugdvrienden”.

   Het tweetal had een grote productie. Na verloop van tijd konden ze tijdens optredens in het land vier sessies van drie kwartier spelen met alleen maar eigen repertoire. Met elke keer een kwartier pauze. En dat deden ze ook. Soms waren het nummers van een half uur lang. En als ze optraden wisten ze te voren nauwelijks wat ze die avond gingen spelen. Er was geen zogenaamde set-list. Ze deden maar waar ze zin in hadden. Het ging allemaal vanzelf, zonder dat ze erbij hoefden na te denken.

 

Paul Acket

 

De Outsiders werden langzamerhand bekend. In Felix Meritis deden ze mee aan een talentenjacht. Ze bereikten er de tweede plaats achter de Sparklings. In die tijd speelde de groep nog veel repertoire van andere groepen zoals de Kinks.

   In augustus 1965 kregen ze de kans auditie te doen voor de organisatie van Paul Acket. Die was uitgever van de bladen Muziek Expres en Popfoto. Acket haalde tevens buitenlandse artiesten naar Nederland. En nu wilde hij een eigen platenlabel opzetten. In ‘De Stad Rome’ (Warmond) traden de Bintangs, Peter and the Blizzards en de Outsiders op voor medewerkers van de Haagse organisator. Acket kwam zelf wel even kijken, maar bemoeide zich er verder niet mee. Alle groepen werden positief beoordeeld en mochten een plaatje maken in de Op Art Sound ’66 serie op Muziek Expres-grammofoonplaten. De Outsiders werden uitgenodigd voor een opname in de Bovema-studio. Volkomen onvoorbereid op wat hun te wachten stond gingen ze er heen, vertelde Ronnie. “Wisten wij veel. Met een busje namen we al onze apparatuur mee. In de studio bleek dat we die helemaal niet nodig hadden. De technicus dicteerde wat we moesten doen. Hard spelen was verboden. Het was echt eenrichtingsverkeer. Achteraf viel het wel mee wat er op de band is gekomen”.
 

In oktober 1965 verscheen de eerste Outsiders single, met twee eigen nummers, ‘You mistreat me’ en ‘Sun’s going down’. In een persbericht van het label, gedistribueerd door CNR in Scheveningen, was te lezen: “Als de voortekenen ons niet bedriegen nadert momenteel een O-bom de aarde. Bij aanraking en uiteenspatting zal iederen geïnjecteerd worden door een nieuwe dimensie b-e-a-t. ‘O’ is afkomstig van The Outsiders, de enige echte beat-groep die Amsterdam telt. The Outsiders zijn opgetrokken rond Wladimir Tax, een uit de steppen van Rusland afkomstige jongeman, die een groot deel van het Outsiders-repertoire heeft geschreven. Overal waar de groep speelt, ontlaadt zich die ‘O’-bom. Iedereen wordt betrokken in het spel en moet meedoen. Dansend, springend, klimmend, juichend, maar ook intens luisterend. Het kenmerkende van The Outsiders is de Stones-evenarende beat en de Dylan-sterke teksten”. In een biografie kreeg Ronnie niet veel eer: “Ron zakte voor z’n Mulo-diploma en zag zijn toekomst als bioloog en ontdekkingsreiziger de mist ingaan. Zijn favorieten: Bach, Mozart, The Kinks en The Pretty Things. Belangrijkste moment van zijn leven: Op het Mulo-examen een één voor boekhouden”.

   Volgens Ronnie had de groep geen exclusieve overeenkomst met het label. Met Paul Acket zelf hadden ze nauwelijks contact. Tijdens een popconcert in het Concertgebouw mochten ze hem een hand geven. “Hij had altijd een hand in zijn nek” wist Ronnie nog en maakte er een gebaar bij dat ik intuïtief herkende. De groep ging ook wel eens naar zijn kantoor in Den Haag. Daar hoorde Ronnie dat ‘Baby please don’t go’ van Them een goed nummer om te coveren was, en dan kwam Acket wel eens binnenlopen.

   Er kwam nog een tweede single, ‘Felt like I wanted to cry’ en ‘I love her still, I always will’. De opname vond deze keer in het Amsterdamse Bavo-huis plaats. “Daar was een heel goede technicus. Hij nam ook Z.Z. en de Maskers op”. De contacten met het organisatiebureau resulteerden bovendien in artikelen van de Acket-bladen en boekingen. Het optreden in 1966, in het voorprogramma van de Rolling Stones in Den Bosch, georganiseerd door Acket en Jan Vis, droeg veel bij aan de populariteit van de Amsterdammers.

 
1966
 

De doorbraak

 

In Amsterdam zelf traden de Outsiders negen maanden lang op in nachtclub Las Vegas. Ze hadden al wat zakelijke begeleiders versleten, onder wie de flamboyante Amsterdammer Hans Keijser. Uit het niets verscheen Jan van Setten, die een baan als advertentieverkoper bij het weekblad Televizier had. Jan, later John B., bood zich in februari 1966 aan als manager. Hij zou de groep groot gaan maken. Er werden afspraken gemaakt. Jan (“Ik noemde hem altijd Jan Bote, om hem te pesten”) kreeg een kwart van de inkomsten, maar nam van dat percentage de kantoor- en organisatiekosten voor zijn rekening. Van de overige 75 procent werden eerst alle kosten voor de bus, apparatuur etcetera afgetrokken en daarna onder de leden van de groep gelijkelijk verdeeld.

   Verdienden Wally en jij dan niet meer omdat jullie ook nog eens de liedjes schreven, vroeg ik.

   Ronnie wist het niet meer precies, zei hij. Maar hij had nooit royalties gekregen van de plaatsuccessen, als ‘Lying all the time’, ‘Touch’, ‘Monkey on your back’ en ‘Summer is here’, die aan John van Setten waren uitbetaald. Maar wel de auteursrechten. Later haalde de manager er Tom Krabbendam nog bij, niet omdat hij een goede muzikant was, integendeel, maar omdat hij lang haar had en goed kon dansen. Splinter had van die move nooit iets begrepen. Voor hem hoefde het niet.

   Van Setten nam het heft in handen. Hij zorgde dat er veel en goed-betaalde optredens kwamen. De manager haalde de groep ook weg bij het Muziek Expres-label. Omdat Iramac belangstelling had voor Short’66, een andere groep die hij onder zijn beheer had, wist John de Outsiders bij dezelfde platenmaatschappij in Bussum onder te brengen. De groep had er overigens zelf niets over te vertellen. Van Setten onderhandelde met Willem Duys en was de enige die zijn handtekening onder het contract zette. De leden van de Outsiders kwamen pas in Bussum bij de ondertekening. Ze hadden er niets te zoeken vond hun manager.

   De eerste opnamen voor het Relax-label hadden plaats in de studio van Eli van Tijn in Amsterdam. Uit hun omvangrijke repertoire koos de groep twee liedjes waaronder ‘Lying all the time’. Het was een feestelijke bijeenkomst, vertelde Ronnie. “We hadden een heleboel vrienden, onder wie Simon Vinkenoog, mee naar de studio genomen. Die zaten om ons heen. Als we zongen moesten ze even hun mond houden. Willem Duys zorgde voor broodjes en drankjes. Wij speelden en de technicus legde het vast”. In het boek ‘Outsiders door Insiders’ van Jerome Blanes (1997) vertelde Wally Tax: “De tekst schreef ik toen ik zestien was. Ik was verliefd op een meisje, maar ze speelde met mijn gevoelens. Ze bedroog me. Maar telkens bleef ik naar haar toekomen met mijn hartje in mijn hand”. Ronnie Splinter had de muziek geschreven. Van Tijn haalde de tape nog door een limiter, zodat overbodige hoge tonen van de opname afgehaald werden. Dan klonk het 45 toeren-plaatje beter.

 

‘Lying all the time’ zorgde in het voorjaar van 1966 voor de doorbraak van de Amsterdammers. De fanatieke aanhangers van de groep bestookten Willem van Kooten (Joost de Draaijer) al jaren met brieven. Toen de single uitkwam werd hij dan ook door de zeezender opgepakt. Binnen korte tijd verscheen de single in de Nederlandse top 40 en bleef maar liefst vier maanden lang genoteerd. Dat was zo opvallend dat Van Kooten een van zijn spitsvondigheden kon lanceren: “De enige single die het uithoudt tot de volgende ijstijd!”

   Het ijs was in elk geval gebroken. De ene na de andere single verscheen in de hitlijsten. De groep kon steeds vaker optreden en tegen een steeds hogere gage. Splinter vond dat Van Setten de zaak goed in de hand had. Hij had er zijn baan bij Televizier voor opgezegd en liet niet met zich sollen. “Hij deed zich altijd groter voor dan hij was. Als iets hem niet beviel dreigde hij meteen een advocaat in de hand te nemen. Dan gingen de mensen wel door de knieën”. Voor de tweede Relax-single ging de groep zelfs naar Londen om er op te nemen. Maar daarna werd het de gewoonte om de plaatopnames door Erik Bakker van de Haagse GTB-studio te laten verzorgen. “Dat was, als je het zo zou willen noemen, onze producer. Bij Iramac wilden ze ons Job Maarse opdringen, maar dat zagen we helemaal niet zitten. Op het label werd John van Setten genoemd, maar in werkelijkheid was het Erik Bakker die de touwtjes in handen had. Jan Bote deed de communicatie tussen Erik en ons. Bij de mix had Erik nog bedacht dat je die zo moest maken dat die goed klonk op een middengolf-station als radio Veronica. In de studio liet hij ons dat steeds horen”.
 

Platen waren niet belangrijk voor de inkomsten, wel voor de roem. Aan een paar optredens in de kop van Noord-Holland hielden ze bij wijze van spreken meer over dan aan een hit. Maar het hebben van een hit, daar draaide alles om, en zeker als dat ook nog eens in het buitenland gebeurde. Niet voor niets verscheen er op 22 juli 1966 een artikel in het weekblad Hitweek onder de kop ‘Outsiders in Frankrijk op hitparade’. “De Outsiders gaan het als eerste groep in het buitenland maken, als de voortekenen ons niet bedriegen. Hun manager John van Setten bevestigde het ons ter ore gekomen gerucht dat de groep met ‘Lying all the time’ op de Franse hitparade zou staan, en dat zou dan de eerste beatgroep zijn die in een buitenlandse hitparade vermeld wordt, afgezien van de eerste Motions-plaat ‘It’s gone’ die op de Amerikaanse top 100 zou hebben gestaan en Les Baroques wier ‘Such a cad’ wel wat in België schijnt te hebben gedaan. Interessante ontwikkelingen”.

   Van al die verhalen klopte geen moer, maar de geruchten droegen bij tot een mythische populariteit. Zeker toen de groep erin slaagde in het buitenland op te treden. In Duitsland, België en zelfs in de Olympia, in het hartje van Parijs, ‘le plus célèbre music-hall du monde’. Samen met andere acts waaronder The Habits, Frankenstein and the Monsters, ‘Les Motions’ en Les Ci-devant, stonden ze op 13 december 1966 in een programma met Little Richard.
 
049-4 Outsiders, Monkey on your back
Parijs, december 1966
 
Het einde

 

Niet alle beatgroepen hielden het even lang uit als de Rolling Stones. Dat gold ook voor de Outsiders. John B. van Setten trad naar buiten namens de groep. Zonder enige inspraak bepaalde de groep welke nummers er werden opgenomen. Van Setten bracht de band naar Iramac en dat was het dan. Toen ik zelf in 1967 bij Iramac aan de slag ging kreeg ik bezoek van de manager. Die kwam de band van ‘Monkey on your back’ afleveren. Uit een stapeltje foto’s koos ik er twee uit. Samen met de drukker ‘ontwierp’ ik het hoesje van de single. Daarna trad de groep op in ‘Voor de vuist weg’, radio Veronica zorgde voor airplay en het nummer bereikte de vierde plaats van de Nederlandse charts. Ik had er geen enkel idee van waar de tekst over ging, maar dat was mijn eigen schuld. In de Hitweek van 16 december 1966 legde de manager het uit: “De nieuwe plaat wordt ‘Monkey on your back’, dat is een slanguitdrukking voor verdovende middelen”. Splinter vertelde me dat Wally een boekje bezat met Amerikaanse slanguitdrukkingen en die gebruikte hij dan.

   Wally en andere leden van de groepen werden ook gebruikers in een ander opzicht. Mede als gevolg van de druk om het succes te handhaven. Ronnie kon aan het gezicht van zijn boezemvriend zien als het weer eens zo ver was. “Dan ging hij duidelijk transpireren en dan wist je wat er aan de hand was”.
 
Als je het boek van Jerome Blanes leest kun je je niet onttrekken aan het idee dat er veel ruzies en interne spanningen waren. Splinter ontkende het niet. Leendert Busch kon bijvoorbeeld nog wel eens explosief uit zijn slof schieten. Ronnie trad dan als een filosoof op zodat de zaak gesust werd. De problemen kwamen pas goed te voorschijn toen Wally in 1967 buiten de Outsiders aan een solo-carrière begon. Dat was een idee van de manager, waar de zanger van harte aan meewerkte. Zijn soloplaten werden niet bij Iramac maar bij Phonogram ondergebracht. Van Setten kon zich dat permitteren omdat hij als enige het contract getekend had. Directeur Willem Duys zon op wraak. Hij maakte de hoes van de nieuwe Outisiders single ‘Cup of hot coffee’. Ik was erbij toen Willem dat deed. Hij pakte een Philips-plaat die hij van plugger Jaap Stamer ontvangen had. Duys knipte het Philips-beeldmerk uit de hoes en plakte dat op de linkermouw van Tax. Druk het zo maar af, zei hij. Toen Philips ter ore kwam wat Duys van plan was, werd er met een proces gedreigd. Iramac besloot het Eindhovense logo niet af te drukken, maar liet het bewuste plekje wit. ‘Iedereen’ kon zien wat verdwenen was.
 

Binnen de groep had de soloplaat van Wally nogal wat consequenties. Wally Tax bewaarde zijn beste ideeën voor zichzelf. Het maken van de melodieën liet hij niet meer over aan Ronnie Splinter. Hij trok alles naar zich toe. Bovendien moest de groep het Tax-repertoire op de bühne uitvoeren. “We deden niet onze uiterste best om die zo goed mogelijk te laten klinken”, zo vatte Splinter de houding van de andere Outsiders samen.

   Het was duidelijk, het einde van de Amsterdamse groep was nabij. Ook de inkomsten daalden snel. En toen kwam de blauwe enveloppe van de fiscus. De muzikanten hadden geen spaarpotje opgebouwd. Dat kon je je voor je imago ook niet veroorloven, legde de gitarist uit. “We gaven alles uit wat er binnenkwam. Van mijn eerste cheque als auteur, 8000 gulden, kocht ik dezelfde dag nog een prachtige Fiat 600. Cash. In die tijd mocht je niet commercieel zijn, dat was uit den boze. Alles moest op. Ik gaf gitaren en elpees weg. We hielden geen stuiver over van al dat geld”. Splinter was ervan overtuigd dat Van Setten zijn fiscale zaken goed voor elkaar had, maar bij hemzelf was dat anders. Hij moest de belastingdienst melden dat hij geen geld had om de naheffing van vele duizenden guldens te betalen. Ronnie verzamelde zo veel mogelijk gegevens over al die zalen waar ze in de jaren daarvoor hadden opgetreden. De fiscus was bereid een betalingsregeling met hem te treffen, maar ook die kon hij niet meer nakomen. Na verloop van tijd werd hem het restant kwijtgescholden.

 

Ronnie Splinter trok zich terug uit de muziekwereld. Twintig jaar lang raakte hij geen gitaar meer aan. In de tweede helft van de jaren negentig kwamen de Outsiders echter opnieuw bij elkaar. Wally Tax wilde voor een tournee een garantie van honderdduizenden gulden hebben anders deed hij niet mee. Splinter wist zijn vriend te overtuigen dat dat er niet meer inzat. In Paradiso ging het goed maar op andere plekken in het land merkte Ronnie dat Wally middelen nodig had om zijn faalangst te overwinnen. Het overlijden van Wally’s vriendin Laurie Langenbach had hem zo aangegrepen dat hij niet meer kon functioneren. Ronnie, al 37 jaar samen met zijn vrouw, heeft dat nooit kunnen begrijpen.

   In hun beste tijd hadden Wally en Ronnie vaak urenlange diepgaande gesprekken. Na een optreden bracht de een de ander lopend naar huis. Daar aangekomen liepen ze al pratend weer terug. En weer terug. In de jaren negentig leek dat ook weer zo te gaan. Maar Wally was steeds depressiever geworden. Dat was hij altijd al, zei Ronnie. “Luister maar eens naar ‘Summer is here’, een vrolijk liedje over de zomer. En toch was het droevig”. En als ze dan een hele tijd gepraat hadden eindigde Wally met: “Ik heb schulden, kun je me wat lenen”.

   Op 10 april 2005 kwam er een einde aan het leven van Wally Tax. Er waren alleen maar schulden, geen geld voor een begrafenis. Familie en vrienden waren bereid te helpen. Fred, de broer van Wally, nam de schulden voor zijn rekening. De vrienden organiseerden een concert in Paradiso. Freek de Jonge droeg een gedicht voor. Ronnie Splinter, Huub van der Lubbe en jongens van groepen als Nits, Fatal Flowers en Claw Boys Claw speelden oude nummers van de Outsiders. Wally Tax kon te ruste gelegd worden.
 
049-5 Tax benefietconcert
Benefiet-concert voor Wally Tax, Paradiso, april 2005
 

***

 

De laatste jaren is pas goed gebleken wat de Outsiders betekend hebben voor de geschiedenis van de popmuziek. Met name de garagerock. Zoals de Amsterdammers vroeger muziek van hun idolen speelden worden hun liedjes nu vertolkt door buitenlandse bands. Toen de Outsiders in 2008 zonder Wally in Spanje optraden vloog Jeff Conolly van de Lyres uit Boston over om ‘You remind me’, ‘Teach me to forget’ en ‘What’s wrong with you’ te zingen. Als Britse, Canadese en Amerikaanse groepen (Sadies, Cynics, Thanes, Mister Plaine Man) in Amsterdam optreden wordt Ronnie gebeld of hij een nummer waarvan hij de muziek geschreven heeft wil komen meespelen. De buitenlandse artiesten zijn soms ontroerd als ze kennis maken met de componist van ‘That’s a problem’ (Sadies), ‘’Lying all the time’ (Cynics), ‘Sun’s going down’ (Mister Plain Man) en ‘I love her still’ (Thanes).
   Splinter ziet er in zijn gezellige flatwoning dan ook niet uit of hij door schulden getergd wordt. “Ik ontvang elk jaar nog een leuk bedrag aan rechten”. Het geld komt binnen uit landen als Spanje, Finland, Groot-Brittannië, Italië en zelfs Japan. Wie had dat gedacht een kleine halve eeuw geleden?

 

Harry Knipschild

16 oktober 2010

Ronnie Splinter is op 19 mei 2013 overleden

 
Clips
 
 
Literatuur
'The Outsiders brengen een nieuw geluid: O-sound', Telegraaf, 1965
Bert van Oortmerssen en Maarten Lindt, 'The Outsiders Wally Tax: 'n Appeltje en een glas melk zijn voor mij voldoende', Hitweek, 21 oktober 1966
'The Outsiders gekozen als beste beatgroep', Nieuwe Leidsche Courant, 17 oktober 1966
'Happenings van Wally Tax: eerste plaat', Nieuwe Leidsche Courant, 1 april 1967
Jerome Blanes, Outsiders door Insiders. De Amsterdamse legende in woord en beeld, uitgeverij De Kampioen, 1997
Michel Verstegen, 'Ronald Splinter en de sigaren van Willem Duys', Warm Sounds, november 2002
Ron Swart, 'Outsiders guitarist Ronnie Splinter', Ugly Things, internet, gedownload 13 maart 2007
Hans van Vuuren, The Outsiders. Beat Legends, Maassluis 2010