1 1 Daendels
 
In deel twee van het artikel over het aandeel van Daendels in de Nederlandse Revolutie, een half decennium na de Franse Revolutie, zal ik de laatste paar maanden, vanaf de verovering van Den Bosch (oktober 1794) tot de omwenteling in Amsterdam (18/19 januari 1795) vanuit het gezichtspunt van de ‘veroveraars’ aan de orde stellen.
 
 
 
Herman Willem Daendels en de revolutie in Nederland (1795) deel 2
 
 
 
Herman Willem Daendels (geb. 1762, Hattem) moest in 1787 uit Nederland vluchten na zich als patriot verzet te hebben tegen het bewind van stadhouder Willem V en zijn echtgenote Wilhelmina, afkomstig uit Pruisen.
   In 1794 kwam Daendels terug, nu als brigade-generaal in het Franse revolutionaire leger. In het najaar, na de politieke val en dood van Robespierre (28 juli 1794, onder de guillotine), leider van het Comité de Salut Public, nam Paul Barras in Frankrijk de macht over. Maar voorlopig was het volop verwarring. Het was dan ook onduidelijk wat er met de Franse troepen moest gebeuren die onder leiding van Daendels de stad Den Bosch voor de Fransen hadden ingenomen.
   Daendels wilde vóór het invallen van het slechte weer verder oprukken. Bovendien moesten de Nederlanders zichzelf bevrijden en niet wachten op Franse troepen, was zijn mening. Daarom stuurde hij op 21 oktober 1794 een oproep naar ‘zijn’ provincie Gelderland (en Overijssel) om het heft in handen te nemen.  
   Op een schoorsteen in Den Bosch schreef Daendels, in al zijn optimisme: “In Hattem op 15 december [1794], in Den Haag op 15 januari [1795]”. [M 51]
   Met dat soort zaken trad de generaal in Franse dienst buiten zijn boekje. Het was niet aan hem om zich met de grote politiek te bemoeien.
 
Repercussie tegen Daendels
 
 
3 1 Mr Casper van Breugel 1786
Casper van Breugel (1787)
 
Al eerder had Casper van Breugel, die daarom voor overleg naar Den Haag gereisd was, contact opgenomen met Bellegarde, op dat moment de enige vertegenwoordiger van Parijs bij het Franse leger. Van hem hoorde hij dat de Fransen niets liever wilden dan vrede sluiten. Plannen voor nieuwe veroveringen hadden ze op dat moment niet. Als de stadhouder bereid was te vertrekken was een revolutie in Nederland niet nodig.
   Van Breugel vertelde Bellegarde dat Daendels een totaal andere visie had. Van het een kwam het ander. Van Breugel, Daendels en Bellegarde voerden lange gesprekken, waarbij onderhandeld werd over hoe de toekomst van Nederland er uit moest zien. Terwijl Bellegarde naar Frans Brussel reisde voor verder overleg, nam Daendels het initiatief met zijn proclamatie van 21 oktober 1794.
   Bovendien kwam de generaal in actie in Den Bosch en omgeving. Hij vorderde geld voor de ‘nationale zaak’. Ook moest elke veertigste man onder de wapenen, ‘vrijwillig of bij loting’. [M 53]
 
De veroveraar van Den Bosch richtte zich een paar dagen later, op 25 oktober, eveneens tot zijn bondgenoten in Amsterdam. Hij riep hen op de opstandelingen in Overijssel financieel te steunen en in Amsterdam in te grijpen. Ondanks alle te overwinnen problemen zag de toekomst er immers goed uit. “De genie vrijheid zal boven komen. Ik zal u komen verlossen”. Het was nu erop of eronder. Als het toch fout mocht gaan, liet hij de leden van het revolutionair comité in Amsterdam weten, ‘zal ik met u sneuvelen’.  [56]
   Tijdens de afwezigheid van de Parijse vertegenwoordigers handelde Daendels op eigen houtje.
 
3 2 proclamatie Daendels
proclamatie Daendels van 21 oktober 1794 (fragment)
 
De gevolgen lieten niet lang op zich wachten. Toen Lacombe, evenals Bellegarde volksvertegenwoordiger van Parijs bij de troepen, ervan hoorde greep hij onmiddellijk in. Daendels liet hij arresteren. Op 31 oktober, 10 dagen na de proclamatie van Daendels, volgde de proclamatie van Lacombe. Daarin werd de handelwijze van de Hattemer aan de kaak gesteld.
   De Fransman maakte duidelijk dat alleen Frankrijk het in Nederland voor het zeggen had. Niemand mocht de wapens opnemen om zichzelf van de stadhouder te bevrijden. Wie Daendels inmiddels geld gegeven had voor het goede doel moest dat terugvorderen. De Fransen lieten zien wie er in Nederland de baas was. De proclamatie werd met trompetgeschal in Den Bosch en omgeving aangeplakt.
   Korte tijd was er sprake van dat de ‘eigengereide’ Daendels uit de strijd werd teruggetrokken en naar Lille overgebracht zou worden. In dat geval was het onduidelijk wat er verder met hem zou gebeuren. In theorie zou ook hem de guillotine te wachten kunnen staan.
   Maar later kwam Lacombe op zijn beslissing terug. Historicus Isidore Mendels: “Men moest bedenken dat Daendels een vreemdeling [bij de Franse troepen in Nederland] was, die de gevolgen van zijn stap niet had berekend. Bovendien gold het een officier die reeds veel goede diensten bewezen had en van wie men nog meer kon verwachten. Daarom verzocht hij zijn collega’s Daendels geen zwaardere straf op te leggen”. [M 57]
   Vandaag de dag zou je zeggen dat Herman een gele kaart had ontvangen en voortaan moest oppassen dat die niet door een rode gevolgd werd.
 
Van Breugel werd voor verder overleg over vrede naar Den Haag gestuurd. Hoe dan ook, van een verder oprukken richting Holland was eind oktober 1794 geen sprake. De vertegenwoordigers bij het Franse leger in Den Bosch stelden de regering in Parijs gerust. Daendels zou de kans niet meer krijgen zich nog verder te roeren.
 
 
Activiteiten tegen het einde van 1794
 
 
Een Frans leger dat oostelijker opereerde, hield er een andere politiek op na. Zoals gezegd werd Maastricht in november 1794 ingenomen en door Frankrijk geannexeerd. Hetzelfde lot overkwam het noordelijker aan de Maas gelegen Venlo. In diezelfde tijd werd ook Nijmegen door de Fransen bezet.
   Het westelijke leger, dat in militair opzicht onder bevel van Pichegru stond, lag nagenoeg stil in het land van Maas en Waal. De onderhandelingen over vrede met Caspar van Breugel en raadpensionaris Laurens van de Spiegel (namens Willem V) duurden voort. De stadhouder stuurde nog een afgezant af naar Lacombe en twee eigen afgezanten naar Parijs. Zijn bewind was bereid de nieuwe Franse republiek, waarin heel wat moordpartijen hadden plaatsgevonden, formeel te erkennen. In Holland bleef de politieke situatie ongewijzigd.
   In Amsterdam werd een optreden van het revolutionaire comité meteen ontkracht. Een van de leden, Cornelis Kraijenhoff, besefte dat hij waarschijnlijk vastgezet zou worden. Hij wist op tijd te vluchten en door de linies naar Nederlands-Frans gebied te ontsnappen. Vandaar uit ging hij op zoek naar Daendels.
 
Toen Daendels niet meer vast zat, kwam hij op een andere manier in actie. Meer dan ooit besefte hij dat de belangrijkste beslissingen niet in Nederland maar in Parijs genomen werden. Wilde je iets bereiken dan moest je in de Franse hoofdstad zelf zaken doen.
   Daendels wist Philippe Merlin de Douai, lid van het Comité de Salut Public, in Parijs voor zijn standpunt te winnen. Op 5 december 1794 bracht deze namens de regering een rapport uit waarin de ‘geruchten over het sluiten van vrede ontkend werden’. In Parijs kon het roer nog wel eens totaal omgegooid worden. Volgens Merlin de Douai waren die geruchten verzonnen door de tegenstanders van Frankrijk om de republikeinse legers te verlammen, de zegetocht van die legers tegen te houden en de revolutionaire geestdrift te verstikken’. [M 59]
 
 
3 3 Merlin de Douai
Merlin de Douai
 
Het moet Herman Willem voldoening gegeven hebben toen hij vernam dat er weliswaar vrede moest komen, maar dan wel gewaarborgd door eigen kracht en door de machteloosheid van de vijanden. Pichegru kreeg onmiddellijk opdracht vanuit Parijs om doortastende maatregelen te nemen en de Waal in noordelijke richting over te trekken.
    Het was ‘vijf voor twaalf’ – of nog later. De voortdurende regen had de wegen onbegaanbaar gemaakt. Bovendien dreigde er op korte termijn een tekort aan voedsel voor manschappen en paarden.
 
 
Nog niet over de Waal
 
 
Generaal Daendels kreeg eind december de kans om in actie te komen. Intussen had zich ook Cornelis Kraijenhoff bij hem weten te voegen. Bovendien was er een Nederlands revolutionair comité ter plaatse met als belangrijkste leden Willem van Irhoven van Dam, Jacob Blauw en IJsbrand van Hamelsveld. Kraijenhoff vertelde Daendels dat de situatie in Amsterdam nijpend was. Er moest onmiddellijk ingegrepen worden.
   Besloten werd snel een aanval te doen om door te breken naar de Bommelerwaard. Daendels had zich in de haast echter niet goed voorbereid en ondoordacht gehandeld. De schepen die hij gebruikte bleken te breed te zijn om de sluizen te passeren. Op 11 december werd er vanuit fort St. Andries zo aanhoudend gevuurd dat zijn troepen zich met groot verlies moesten terugtrekken.
   Daendels was furieus. Hij vond dat hij door Pichegru opzettelijk in de steek gelaten was. Die had immers vanuit Parijs opdracht gekregen om tegelijk met hem over een grote linie krachtig aan te vallen. En dat had hij gewoon niet gedaan.
   Misschien vond Pichegru het maar niets dat zijn ‘heethoofdige’ brigade-generaal goede contacten met zijn superieuren in de Franse hoofdstad had weten op te bouwen. Een nederlaag kwam hem in zekere zin goed uit.
   De generaal in Franse dienst werd voorlopig op een zijspoor gezet. Hij moest zich maar bezig houden met de inname van Heusden in het westen. De Fransen zouden Holland zelf wel bevrijden na het winterseizoen. Ze richtten hun winterkwartieren in.
   Jacob Blauw, van het revolutionaire comité, was verontwaardigd. Het was een schande dat de Fransen Daendels, ‘die waarlijk de achting en het vertrouwen van iedere Nederlander verdient’ [M 63], buiten spel gezet hadden. Het had er alle schijn van dat men Herman Willem liever kwijt dan rijk was. De Geldersman was voor de Fransen blijkbaar niet te vertrouwen. Dat had hij in oktober al aangetoond.
 
 
Beslissende factor: het weer
 
  
In de biografie van Cornelis Kraijenhoff is te lezen dat deze samen met de troepen van Daendels op 2 januari 1795 bij Heusden, een geduchte vesting met hoge wallen en diepe grachten, aankwam. Onderwijl was het weer omgeslagen – het vroor dat het kraakte. De omgeving van de vesting, die onder water gezet was om het de aanvallers nog extra moeilijk te maken, was dicht gevroren. Ook werd het vanwege de lage temperatuur steeds lastiger de grachten open te houden.
   Christian Teutscher von Lisveld was commandant van de stadhouderlijke troepen in Heusden. Daendels stuurde Kraijenhoff naar de bejaarde generaal om hem, zoals dat hoorde, tot ovegave te sommeren. Cornelis ving bot bij Teutscher. Maar tijdens het contact in de vestingstad proefde hij dat er kansen waren om de stadhouderlijke troepen op de knieën te krijgen. Vooral omdat het onder water zetten van de omgeving niet werkte vanwege de vorst.
   De brigade van Daendels was zodoende in staat Heusden met kanonnen goed te beschieten. Na ruim een week van bombarderen gaf de gouverneur van de vestingstad zich op 15 januari 1795 over.
   In plaats van feest te vieren trokken Daendels en Kraijenhoff op 16 januari meteen verder. Het weer had de aanvallende troepen kansen gegeven die niet verloren mochten gaan.
 
3 4 overgave van Heusden
Overgave van Heusden, 15 januari 1795 (uit biografie Kraijenhoff)
 
 
Doorgaan...
 
 
Begin 1795 viel Daendels een grote eer te beurt. Hij ontving bericht dat hij bevorderd was van brigade-generaal tot divisie-generaal. Maar te gelijk vernam hij ook dat hij overgeplaatst was naar de Pyreneeën. Was dat een compromis op basis van het conflict met de ‘trage’ Pichegru? Werd hij soms ‘weg gepromoveerd’? Hoe dan ook, Daendels trok verder. Het noorden lag open, besefte hij. De buitenlandse troepen die Willem V moesten beschermen hadden zich terug getrokken.
 
Daendels besefte goed dat nu the moment of truth gekomen was. Voortdurend riep hij de Nederlanders op zelf in actie te komen alvorens door de Fransen bevrijd, zeg: veroverd, te (moeten) worden. Met die woorden vond hij echter maar weinig gehoor.
   Ondanks de kansen als gevolg van het weer trokken de Fransen volgens Mendels slechts ‘zeer langzaam’ voorwaarts. [M 65] Daendels nam in elk geval het voortouw. Een paar dagen na de overgave van Heusden arriveerde hij op zaterdag 17 januari 1795 in Leerdam. Het was die dag zeven graden onder het vriespunt. Wind en sneeuw kwamen uit het noordoosten.
   Het was nu zaak zo snel mogelijk Amsterdam te bereiken, waar mensen  die zich ‘revolutionairen’ noemden, tot de conclusie gekomen waren dat zelfstandig optreden geen kans van slagen had. Misschien dacht men daar wel dat de politiek van Parijs wel weer eens volledig om kon slaan. In dat geval zouden de aanhangers van de stadhouder, die de openbare orde beheersten, deze gegoede burgers wel eens hard kunnen aanpakken. Die durfden in elk geval geen echt risico te nemen. In Amsterdam kwam dus geen omwenteling van binnen uit. Ook in Rotterdam en elders verroerde men zich niet.
 
 
Van Leerdam langs Maarssen naar Amsterdam
 
 
Daendels en Kraijenhoff trokken zo snel als ze konden verder naar het noorden. Het leek wel een race tegen de klok. Blijkbaar waren er nauwelijks belemmeringen. Utrecht had zich na de vlucht van buitenlandse soldaten al overgegeven. Opnieuw stuurde Daendels, nu als divisie-generaal, een proclamatie rond. “De representanten van het Franse volk vorderen van de Hollandse natie dat die zich zelf vrij maakt. Zij willen Nederland niet als overwinnaars onderwerpen. Dordrecht, Haarlem, Leiden en Amsterdam moeten de revolutie zelf tot stand brengen”. [M 63]
   Leden van het revolutionair comité in het door vluchtelingen overspoelde Amsterdam durfden het nu aan contact met generaal Golowkin, commandant van de troepen ter plaatse, op te nemen. Hun daad werd geduld, maar de generaal wachtte voorlopig af. Het comité voorzag de burgerij de volgende ochtend van wapens. Bovendien nam men contact op met burgemeester Straalman en verzocht hem ‘de rust en goede orde te bewaren’. Ze vroegen hem ervoor te zorgen dat geen militairen of schutters ‘de burgers in hun vrolijkheid zouden storen’. [M 66]
   De bestuurders van Amsterdam maakten geen duidelijk standpunt bekend. Maar ze wisten wat hun waarschijnlijk te wachten stond.
 
 
3 5 Daendels wenst Kraijenhoff met tamboer in Maarsen succes op zijn reis naar Amsterdam 18 januari 1795
Daendels (rechts) neemt in Maarssen afscheid van Kraijenhoff, met tamboer, 18 januari 1795
 
De ochtend na aankomst in Leerdam bevond Daendels zich al in het ten noorden van Utrecht gelegen Maarssen. Het was zondag 18 januari 1795. Amsterdam was niet ver weg. Ze zouden in die stad maar al te goed beseffen dat het Franse leger op het punt stond om er binnen te vallen, zal hij ongetwijfeld gedacht hebben.
   Daendels besloot hoog spel te spelen. In de recente biografie van Kraijenhoff wordt dat duidelijk gemaakt. De divisie-generaal stuurde Kraijenhoff als zijn afgezant in zijn eentje op een boerenkar, met slechts één paard bespannen, naar Amsterdam. Een tamboer liep voorop. Ondanks de snelle ontwikkelingen was het een risknte onderneming. Je wist immers nooit hoe er onderweg gereageerd zou worden.
   Door middel van trommelslag meldde Kraijenhoff zich onderweg bij het fort in Nieuwersluis. Geblinddoekt werd hij bij de commandant binnengelaten. De afgezant overhandigde een schrijven van Daendels met de sommatie om zich binnen het uur met zijn troepen over te geven. De commandant pakte zonder te reageren zijn biezen en verdween richting de vesting Naarden. De weg naar Amsterdam lag helemaal open – ook voor de troepen van Daendels die zouden volgen.
 
 
Revolutie in Amsterdam, 18-19 januari 1795
 
 
Om vier uur ’s middags op die zondag meldde Kraijenhoff zich bij de Amsterdamse Weesperpoort. Ter plekke liet hij weten dat hij in onderhandeling wilde treden met de commandant van de stad, generaal Golowkin. In Amsterdam waren maar liefst 6.000 manschappen gelegerd. Een uur later vernam hij dat hij welkom was. Hem werd een rijtuig aangeboden voor het vervoer. Kraijenhoff prefereerde lopend te arriveren.
   Het was een politiek spelletje. De Amsterdammers liepen te hoop en omstuwden hem. “Door de grote menigte, die toevloeide, viel het hem moeilijk een ernstige houding aan te nemen”. [K 112]
   Golowkin koos eieren voor zijn geld en deed niet moeilijk. Wat hem betreft mocht Kraijenhoff het commando meteen van hem overnemen. Golowkin was de kwaadste niet. Hij organiseerde zelfs dat de echtgenote en kinderen van Kraijenhoff, die deze bij zijn vlucht had moeten achterlaten, onverwacht ten tonele verschenen.
   De afgezant van Daendels vernam bovendien dat hij om acht uur ’s avonds welkom was bij het stadsbestuur. Om de tussenliggende tijd door te brengen begaf hij zich naar het Wapen van Emden, waar hij met veel gejuich ontvangen werd. Zitted op een stoel werd hij rondgedragen. “Hier sprak hij de samengevloeide menigte uit allerlei stand met veel bedaardheid aan, gaf opening van het oogmerk van zijn zending en beloofde dat de omwenteling binnen een paar uur zou plaatsvinden. Maar de mensen moesten zich nog even stil houden”. Vervolgens meldde hij zich bij het revolutionair comité om er afspraken te maken voor de samenstelling van een nieuwe stadsregering die de volgende dag het heft in handen moest nemen.
 
 
3 6 Matthijs Straalman
Matthijs Straalman
 
Burgemeester Matthijs Straalman, die de vertegenwoordiger van Daendels in zijn huis aan de Herengracht ontving, stelde zich aanzienlijk minder meegaand op. Ongetwijfeld hadden hij en zijn medebestuurders ook meer te verliezen. In eerste instantie werd Kraijenhoff niet eens erkend als onderhandelaar. De volmacht die hij bij zich droeg stelde niets voor, hoorde hij. Straalman c.s. wilde wel van gedachten wisselen over een overgave, maar dan wel met de Franse legerleiding. Dat was wat Kraijenhoff te horen kreeg in de zijkamer waar hij al een half uur had zitten te wachten.
   Kraijenhoff reageerde op een dreigende toon. Als hij diezelfde avond niet de garantie kreeg dat het stadsbestuur het bijltje er bij neergooide garandeerde hij niet dat het rustig zou blijven in de stad.
   De aanwezige regenten begrepen dat ze geen keus hadden. Alsnog verklaarden ze bereid te zijn alle functies neer te leggen en te accepteren dat er vanaf de volgende dag een nieuwe bestuursvorm, ‘naar Franse smaak’, van kracht zou worden.
   Nadat Kraijenhoff vertrokken was werd er ‘weinig of niet gesproken. Een ieder was stil en aan zijn gedachten overgegeven’, zo werd de stemming ten huizen van de burgemeester vastgelegd.
   Op de Dam was het een en al feestgedruis. “Het krioelde van de mensen. De beker ging lustig rond in het Wapen van Emden, waar veel vreugdeblijken over de naderende omwenteling vertoond werden – niet altijd met gepaste welgevoeglijkheid”. [K 115] 
   Om half elf ’s avonds werd op de Dam een proclamatie voorgelezen. Iedereen werd opgeroepen de rust te bewaren en vooral de leden van het garnizoen, dat vanaf de volgende dag onder commando van Kraijenhoff zou staan, niet te beledigen.
 
3 7 Voorlezing proclamatie op de Dam 18 januari 1795 22.30 uur
 Voorlezing van de proclamatie, 18 januari 1795 22.30 uur
 
In de nacht van 18 op 19 januari 1795 trok Daendels met een klein militair gezelschap ongehinderd Amsterdam binnen. Zijn nadrukkelijke wens, dat er een revolutie van binnenuit moest plaatsvinden, was op het allerlaatste moment in vervulling gegaan. De nadering van het Franse Noorderleger van Pichegru moest de doorslag geven. Erg overtuigend was het niet – zeker niet in de ogen van de Fransen.
   Op maandag 19 januari was de formele overdracht van de macht. Rutger Jan Schimmelpenninck had een verklaring opgesteld. Mr. Daniël van Laer las hem voor. De vroedschap van Amsterdam, het stadsbestuur, werd onbevoegd verklaard nog enig gezag uit te oefenen en zou - onder bescherming – het stadhuis moeten verlaten. Het revolutionair comité stond klaar om de plaatsen van de regenten in te nemen.
   Namens de hele vroedschap antwoordde Straalman dat aan de eisen van het revolutionair comité voldaan werd. Kraijenhoff bedankte, naar eigen zeggen later, de leden van oude regering met een gepaste maar zeer korte toespraak voor hun bereidwilligheid.
   Het ging er dus ordelijk aan toe. De leden van de Amsterdamse vroedschap werden netjes uitgeleid zodat ze zich geen weg hoefden te banen naar hun grachtenpanden.
   De nieuwe machthebbers lieten vervolgens vanaf het stadhuis weten: “Waarde medeburgers. Uw toenmalige regering heeft aan de wil van het volk voldaan”. [K 117]
 
Internationaal perspectief
 
 
Stadhouder Willem V nam het besluit om uit te wijken naar zijn bondgenoten, de Britten. Vanaf 13 januari stapten helpers en familieleden, inclusief echtgenote Wilhelmina, in boten naar Engeland. Op 18 januari 1795 stak Willem zelf vanuit Scheveningen over naar Engeland.
   De Fransen hadden een andere kijk op de fluwelen revolutie. Op 21 januari meldden de representanten van het volk in het Franse leger aan Parijs: “Une sorte d’insurrection a précédé notre entrée dans Amsterdam. Een soort van oproer heeft plaatsgevonden vóór wij Amsterdam binnentrokken”. [K 117] Door de aanhangers van het nieuwe bewind werden de ‘Franse broeders’ verwelkomd door een revolutionaire magistraat.
   Hoe de aanhangers van Willem V zich voelden, wordt in de boeken over Kraijenhoff en Daendels geen mededelingen gedaan. Daar zal ik in een volgend artikel verslag van doen.
 
Harry Knipschild
7 juli 2016      
 
De citaten zijn afkomstig uit het standaardwerk van Isidore Mendels en de biografie van Kraijenhoff. Ik heb ze, zo nodig, bewerkt en hertaald.
 
Literatuur
 
Vaderlandsche historie, vervattende de geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden zints den aanvang der Noord-Americaansche onlusten, en den daar uit gevolgden oorlog tusschen Engeland en deezen staat, tot den tegenwoordigen tijd. Uit de geloofwaardige schrijvers, en egte gedenkstukken, zamengesteld ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche Historie, deel 27, Amsterdam 1801
Isidore Mendels, Herman Willem Daendels vóór zijne benoeming tot gouverneur-generaal van Oost-Indië (1762-1807), Den Haag 1890
Wilfried Uitterhoeve, Cornelis Kraijenhoff 1758-1840. Een loopbaan onder vijf regeervormen, Nijmegen 2009